Alle ondernemers in Europa krijgen ‘eerlijke kans’ op standplaatsen in Utrecht, zegt ook minister Adriaansens

Afbeelding

Dat het voor handelaren als een klap in het gezicht kan voelen, snapt minister Micky Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat wel. Maar als straks de vergunningen voor standplaatshouders in Utrecht aflopen, mag elke ondernemer in Europa meedingen voor de plekken in de stad. De gemeente volgt hiermee de geldende wetgeving en zou er ervoor moeten zorgen dat alle ondernemers een ‘eerlijke kans’ maken op de ‘schaarse vergunningen’.

In de gemeente Utrecht zijn negentig ondernemers met een standplaatsvergunning die binnenkort afloopt. Het zijn ondernemers die al jaren op een bepaalde plek in Utrecht te vinden zijn, soms al voor meerdere generaties. Doordat er nu nieuwe wetgeving van kracht is, kunnen straks ondernemers uit heel Europa meedingen naar de vrijkomende vergunning. Het is dan nog maar de vraag of we de daarna bekende gezichten op de standplaatsen terugzien. De VVD in Utrecht vroeg vorig jaar al om opheldering over het onderwerp, en ook nu is er weer politieke aandacht voor.

Het AD in Utrecht sprak recent al met bloemenverkoper Nico van der Ven. Zijn vergunning voor zijn zaakje bij het Griftpark loopt ook af. Hij liet aan de regionale krant weten zich zorgen te maken over zijn toekomst. Ook in de Tweede Kamer was aandacht voor het onderwerp, politicus Van Haga vroeg naar aanleiding van het artikel aan de minister of zij het beleid in Utrecht wel rechtvaardig vindt. Dat vindt de minister.

‘Een klap’

Minister Adriaansens schrijft: “Ja, ik begrijp dat het voor de betreffende ambulante handelaren als een klap kan aanvoelen als ze hun vertrouwde plek moeten opgeven. Toch draagt dit bij aan een rechtvaardige verdeling van kansen voor alle ondernemers.” Volgens de minister zorgen de regels voor een gelijk speelveld.

Over het meewegen van lokale en menselijke factoren antwoordt de minister: “Het meewegen van menselijke factoren werkt twee kanten op: de marktkoopman wiens familie al tientallen jaren heeft geprofiteerd van een exclusief recht op een zeer gewilde plek in de stad en een ander familiebedrijf die het moet doen met een minder aantrekkelijke locatie en daardoor wellicht twee keer zo hard moet werken om dezelfde omzet te bereiken.” Concluderend schrijft zij: “Ik zet mij in voor álle ondernemers. Dit betekent dat ik niet enkel de belangen van huidige vergunninghouders voor ogen heb, maar ook die van toekomstige vergunninghouders.”

Om nog meer duidelijkheid te krijgen over de situatie en de gevolgen voor lokale standplaatshouders zijn er in Utrecht ook door het CDA en de PVV twee sets schriftelijke vragen gesteld aan het college van B&W.