Rocobé stond voor Rotterdamsch Confectie Bedrijf. Hoe kwam deze kledingfabriek in Utrecht terecht? Dat gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het bombardement van Rotterdam in mei 1940 ging de fabriekshal aan de Oostzeedijk verloren. Het lukte niet om een nieuwe locatie te vinden in Rotterdam. De toenmalige gemeente Jutphaas bood een terrein aan langs het Merwedekanaal ter hoogte van de latere Balijebrug, waar de fabriek in 1942 opende. Zo’n vijftien jaar later moest die gesloopt worden voor de bouw van de brug.
Verdwenen fabrieken: Confectie-Industrie Rocobé aan de Kanaalweg / Overste Den Oudenlaan

Johannes Petrus (Jan) Broekhoven (1863-1949) was aannemer in Twente, waar hij textielfabrieken bouwde en villa’s voor directeuren. Vervolgens ging zijn bedrijf zich bezighouden met de aanleg van kanalen, sluizen en wegen door heel Nederland. In 1929 was de Noordersluis in IJmuiden de grootste sluis ter wereld. Vijf jaar later leverde Broekhoven de Waalbrug op in Nijmegen, waar de familie zelf woonde. Eind jaren dertig volgde de aanleg van Rijksweg 12 van Bodegraven naar Utrecht, met de Galecopperbrug en het verkeersplein Oudenrijn.
In 1924 had Jan Broekhoven al de Hollandsche Textielindustrie in Goirle gekocht. Hij ging deze branche in om zijn grote gezin een ondernemerstoekomst te bieden onder het motto ‘alle zoons aan het werk’. Hieruit vloeide in 1938 de oprichting voort van het Rotterdamsch Confectie Bedrijf, dat betaalbare jongens- en herenkleding maakte. Samen met senior (waarschijnlijk op de achtergrond) werd zoon Alfons Henricus Maria Broekhoven (1912-1989) er directeur.
Handwerksters en machinestiksters
Het was waarschijnlijk geen toeval dat de burgemeester van Jutphaas het bedrijf na het bombardement welkom heette. Hij had Broekhoven immers leren kennen bij de aanleg van Rijksweg 12. Later zou de Utrechtse burgemeester over dit besluit zeggen: ‘De gemeente Jutfaas gaf toestemming op het bewuste punt te bouwen, terwijl men wist, dat de gemeente Utrecht na annexatie deze grond nodig had om daar een uitvalsweg naar nieuw gebied te maken’. De eerste plannen voor (o.a.) Kanaleneiland lagen er al. In de oorlogsjaren keek men echter vooral naar de korte termijn.
In augustus 1940 maakte de Tilburgse architect Frans Hovers het ontwerp voor de nieuwe fabriek aan het Merwedekanaal. Hij had vele bedrijfspanden, werkplaatsen en magazijnen gebouwd voor textielfabrikanten in Tilburg. De architect ontwierp een langgerekte voorgevel van baksteen met daarachter een fabriekshal met 13 sheddaken. Het gebouw was zo’n 60 bij 40 meter groot. Rechts achteraan kwam een hoge schoorsteen met daarin de letters Rocobé gemetseld, een afkorting die zover bekend pas in Utrecht werd gebruikt. Rechts van het fabrieksgebouw ontwierp Hovers een blok met twee ruime personeelswoningen. Deze huizen (Kanaalweg 57-58) staan er nog steeds.
Vanwege materiaalschaarste duurde de bouw lang. Begin 1942 ging de fabriek open. Er zullen wel personeelsleden uit Rotterdam zijn meegekomen, maar de meesten moesten nieuw worden geworven. ‘N.V. Rotterdamsch Confectiebedrijf Rocobé, Kanaalweg 28 - Utrecht vraagt voor haar Ateliers van Heeren- en Jongens-confectie bekwame Handwerksters, Machinestiksters en aankomende Machinestiksters’, adverteerde Alfons Broekhoven in maart 1942. Er zijn verhalen dat de fabriek tijdens de bezetting parachutes maakte voor de Duitsers, maar dat zou nader onderzocht moeten worden. In de naoorlogse jaren bloeide de confectie-industrie en plaatste Rocobé talloze personeelsadvertenties.
Tekst loopt door onder de foto
[caption id=”attachment_416316” align=”alignnone” width=”1024”] Bouw van de Balijebrug, 1957 (F.F. van der Werf, Het Utrechts Archief)[/caption]
Naar Kanaleneiland
In de jaren vijftig voer er een pontje over het Merwedekanaal ter hoogte van de latere Balijebrug. Het werd bediend door een medewerker van Rocobé en gebruikers klaagden dat het onregelmatig voer. Het was eigenlijk alleen voor fabrieksarbeiders bedoeld. Enkele jaren later kon men het kanaal oversteken via de grote nieuwe brug, maar daarvoor moest de confectiefabriek wijken. Rocobé kreeg 250 meter verderop een terrein toegewezen aan de Overste Den Oudenlaan, hoek Wilhelminalaan. Bij de opening van de nieuwe fabriek onthulde burgemeester De Ranitz een gedenksteen met de tekst: ‘Herbouwd in 1958 wegens stadsuitbreiding Utrecht’. Hij haalde ‘voor de laatste maal de onverkwikkelijke geschiedenis op’ van het bombardement, de ongelukkige keuze van de locatie in Jutphaas en de annexatie door Utrecht.
Rocobé was in 1958 het eerste bedrijf op het nog bijna lege Kanaleneiland. Voor de nieuwe bewoners was er nog geen kerkgebouw beschikbaar, vandaar dat de zeer katholieke familie Broekhoven ‘de riante kantine van het nabijgelegen cenfectie-atelier’ ter beschikking stelde. Pastoor Veeger celebreerde daar de Heilige Mis totdat de Christus Koningkerk aan de Marshalllaan in 1961 gereed kwam. Rocobé maakte inmiddels ook meisjeskleding. Jongens- en mannenkleding bleef belangrijk, getuige de productie van de Terlenka Young-collectie in 1965, een aanbod van kostuums en jassen voor ‘de jeugdige man’ van 15 tot 25 jaar.
Tekst loopt door onder de foto
[caption id=”attachment_416314” align=”alignnone” width=”1024”] Nieuwe fabriek aan de Overste Den Oudenlaan, 1961 (A. Graafhuis, Het Utrechts Archief)[/caption]
In 1973 besloot Rocobé de fabriek in Utrecht te sluiten en de productie naar België te verplaatsen. In november van dat jaar was er een ‘zeer belangrijke publieke verkoping’ van ‘100 moderne confectiemachines’, een ‘complete snijzaal’, ‘volautom. geprogrammeerde persen’ en ‘grote partijen fournituren’. De automatisering was inmiddels ver gevorderd, toch waren het kennelijk de personeelskosten die tot sluiting noopten. In het Utrechtse fabrieksgebouw kwam een meubelhandel en na enkele jaren werd het verbouwd tot Cepelia, centrum voor Poolse kunstnijverheid en bankzaken (!). In 1983 verrees er het kantoorgebouw Wilhelminastaete waarin PTT Telecom gevestigd was, later Mitros en tegenwoordig het Grafisch Lyceum.



