DUIC Krant: ACU bestaat 40 jaar | De Utrechtse Internet Courant DUIC Krant: ACU bestaat 40 jaar | De Utrechtse Internet Courant

DUIC Krant: ACU bestaat 40 jaar

DUIC Krant: ACU bestaat 40 jaar
ACU/Archieffoto DUIC
DUIC brengt naast elke dag online het laatste nieuws ook achtergronden in de papieren krant. Hieronder kunt u een van de verhalen lezen die de afgelopen week in de krant is verschenen. Wilt u de hele krant nog eens in zijn geheel nalezen? Kijk dan onderaan dit bericht. Heeft u de krant niet ontvangen? Vul dan hier uw postcode en huisnummer in. Dan geven wij dit door aan de bezorging.

DUIC brengt naast elke dag online het laatste nieuws ook achtergronden in de papieren krant. Hieronder kunt u een van de verhalen lezen die de afgelopen week in de krant is verschenen. Wilt u de hele krant nog eens in zijn geheel nalezen? Kijk dan onderaan dit bericht. Heeft u de krant niet ontvangen? Vul dan hier uw postcode en huisnummer in. Dan geven wij dit door aan de bezorging.

Hippies, alto’s, punkers, wereldverbeteraars, buitenbeentjes en idealisten. De tijden zijn misschien wat veranderd, maar in het ACU op de Voorstraat vinden zij al veertig jaar lang een thuis. Begonnen als kraakpand in 1976, sinds halverwege de jaren negentig gelegaliseerd poppodium en politiek cultureel centrum. Het ACU viert deze maand haar veertigste verjaardag.

Ollie kan zich het eenjarig bestaansfeestje van het gekraakte Auto Centrum Utrecht nog goed herinneren. “Er stonden hier in de oude showroom van de garage een verlaten Triumph en een Porsche, op blokken. Het zag er geweldig uit. We hadden bedacht dat we daar maar vanaf moesten blijven. We belden de eigenaar, meneer Maas, of hij ze kon komen ophalen. Dat gebeurde maar niet. Voor het eenjarig bestaansfeest hebben we ze een beetje opgepoetst. Er kwamen honderden mensen op het feest af. En op een goed moment ‘s ochtends vroeg vonden een paar mensen uit dat de twee grote ramen die daar waren omhoog konden. Andere mensen hadden de wielen onder de auto’s gezet. De Triumph startte op een gegeven moment. En ze zijn de deur uitgereden. Die hebben we nooit meer teruggezien.”

Ollie is wat je noemt kraker van het eerste uur. Hij was er als eerste, in 1976, met zijn koevoet, en bewoonde het pand ruim twintig jaar. “Maar”, haast hij zich te zeggen, “ik was niet de enige. Er waren hele goeie, keihard werkende gasten, die daarbij waren. Anders waren we snel weer weg geweest.” Hij vertelt graag over die eerste tijd, misschien met een beetje nostalgie. “Ik mis het soms wel. Hier was ik heel gelukkig. Hier was altijd veel leven. En vriendschap, vooral.”

Als twintiger woonde Ollie in een ander leegstaand pand in de buurt. Toen dat ontruimd werd, kreeg hij van de Kraakbond (in de jaren zeventig opgericht als organiserend orgaan van de kraakbeweging) de tip voor het pand in de Voorstraat. Zo ging dat toen. Toentertijd zag de Voorstraat er heel anders uit dan nu. Er was veel criminaliteit en leegstand. Veel panden waren in het bezit van de familie Maas, waaronder het pand waar nu Hostel Strowis in zit en het huidige ACU-pand. Daar zat tot eind jaren zestig een garage. Anno ’76 stonden de panden al tijden leeg. “Maas wilde ze laten verkrotten, zodat hij ze kon laten slopen om daar een parkeerterrein te maken. Hij kreeg echter keer op keer geen toestemming van de gemeente, waarschijnlijk omdat de panden nog in te goede staat waren. Dat wij het kraakten gooide flink roet in zijn eten.”

De verloedering tegengaan

“s’ Avonds laat klommen we met een paar mensen over een muurtje en maakten we de balkondeuren open. Er stonden allemaal spullen. Bijna of er nog iemand woonde. Een opgemaakt bed. Schilderijtjes aan de muur. Maar de kasten waren leeg en alles zat onder een dikke laag stof”, vertelt Ollie. “Circa tien jaar voordat wij het kraakten maakte Maas drie meiden die daar toen woonden zo angstig dat ze hals over kop vertrokken. Van hen waren ook die spullen die wij daar aantroffen.”

De eerste paar dagen vonden de krakers maar drie kamers. Toen ontdekten ze een wandje waarachter nog een deur zat. Daar kwamen nog twee kamers achter vandaan, en vervolgens nog een gigantisch leeg pand. De plek waar je nu een biertje drinkt of een dansje waagt, was nog helemaal onontdekt. Het was een grote ontdekkingstocht. “Dat was hartstikke leuk. Wij waren gewoon bewoners. We zorgden ervoor dat dit huis niet onder onze kont wegzakte. Er is een constante bewoning van zo’n tien mensen geweest. Er moest van alles gebeuren. We legden aan onszelf een soort huur op, zodat er een goede spaarpot kwam om de daken te repareren. We hadden in het begin geen verwarming of stromend water. Dat is allemaal aangelegd. Er werd heel veel gewerkt hier. Daarom waarschijnlijk dat dit pand nu nog bestaat.”

Er werd ook veel gekraakt voor anderen. Anders dan in de jaren tachtig die zouden volgen, ging het kraken in de jaren zeventig vooral om woonruimte creëren, niet zozeer om het activisme en de politieke statements. Ollie: “Ikzelf werd ook allereerst kraker omdat ik geen woning had. Pas later werd het idealisme. In die tijd stonden er achterlijk veel huizen leeg. Hele flatgebouwen hebben we gekraakt. Waarmee we dan in een keer vijftig gezinnen een huis gaven. Het was een goed systeem.” De ondernemers uit de Voorstraat waren niet altijd even blij met de komst van de krakers, maakten zich zorgen wat er met hun belastingcenten gebeurde. Maar de buurtbewoners zagen wel de voordelen, volgens Ollie. “Wij hielden de verloedering tegen door de panden op te knappen. En er kwamen allerlei kleine bedrijfjes in de garage. Dat was goed voor de buurt.”

Wilde feestjes waren er natuurlijk ook. “Het was wel veel seks, drugs en rock-‘n-roll”, lacht hij. “Het waren hele mooie grote feesten. De garage, alle kamers waren open. Dat is een hele hoop terrein. Het was dan stampvol.” Toen de ruimtes beneden puinvrij gemaakt waren kwam er op den duur een filmhuis (tot 1983) en toen steeds meer culturele invulling. Met politieke info-avonden, bandjes, dansavonden. De Kraakbond kwam er vergaderen. Ook toen al draaide het volledig op vrijwilligers. In twintig jaar zag Ollie de kraakbeweging veranderen. De oudere groep die de ruimtes boven bewoonde kreeg vanaf de jaren tachtig te maken met een jongere lichting.

De kantine van de kraakbeweging

Mikkie was een van hen. Zij kwam als 17-jarige de kraakscene van de jaren tachtig ingerold. Ze woonde niet in het ACU, kraakte ergens anders in de stad een pand, maar heeft er tot 2006 achter de bar en in de keuken gestaan. “De jaren tachtig was best een heftige tijd”, vertelt zij. Er was veel onvrede over de maatschappij. De kraakbeweging was groot en daar kon je gelijkgestemden vinden. “Er waren mooie ideeën, de do-it-yourself-mentaliteit heeft me altijd heel erg aangetrokken. De kraakbeweging was eigenlijk vooral naar binnen gericht in die tijd. Wij bedachten alternatieven en gingen ons eigen leventje leiden. Dat was de tijdgeest. Ik heb me daar ook wel aan op kunnen trekken. Ik heb er veel geleerd over het leven. Hoe de wereld tot op zekere hoogte maakbaar is. Dat je samen heel veel kunt bereiken, als je wilt.”

Er waren veel demonstraties, tegen militarisme en de kernbom, en de krakers zetten ludieke acties op. Mikkie begint te lachen. “Op de Maliesingel zou een woongroep ontruimd gaan worden. We wilden aandacht voor de zaak en organiseerden een generale repetitie. Er was veel publiciteit omheen geregeld. De ene helft verkleedde zich als ME’er, de andere helft als kraker. We schilderden helmen wit. Er was zelfs iemand die z’n hond meenam, een lieve bouvier, als politiehond. Er werden busjes gehuurd. Het was hilarisch. Meer dan honderd verklede krakers die door de stad trokken, eigenhandig de Maliesingel afzetten en een veldslag na gingen spelen. Er waren sponsen die dienst deden als stenen.” Na afloop gingen ze in optocht naar het ACU. “Het was toen de kantine van de kraakbeweging”, vertelt ze. “Daar gingen we dan op een tweepits gasfornuisje koffie zetten voor honderd man.”

Dan serieuzer: “Sommigen namen het wel te serieus. Bij die nepontruiming vielen uiteindelijk meer gewonden dan bij de echte. Er kwamen ook veel mensen vanuit andere steden op af. Utrecht was wat relaxter dan de rest van het land in die tijd. In andere steden had je de autonomen. In Utrecht vonden we dat een beetje stom.” Mikkie denkt dat het de-escalerende politiebeleid daar wat mee te maken had. Maar ook de diversiteit in de stad, waarin verschillende scenetjes goed met elkaar omgingen, oudere en jongere krakers door elkaar.

Plannen voor de aankoop

Mikkie was er ook in de jaren negentig bij, toen de legalisering van het ACU naderde. Er kwamen plannen op tafel voor de aankoop van dit pand en dat waar nu Hostel Strowis in zit. “Er waren best wel mensen die de aankoop niet zagen zitten. Je krijgt daar dan toch een andere plek voor terug. Sommigen zagen dat compromis niet zitten en zijn weggegaan. Ik snap dat wel. Maar uiteindelijk was het de enige manier”, zegt Mikkie. De tijden veranderden. Ook Ollie zag dat in. Hij zegt: “Ik had nooit gedacht dat het weg zou zijn. Ik had gedacht dat het was zoals het nu is: legaal. Ik vind dat te gek. Er was een punt dat we vanuit het huis zeiden: dit kan niet zo blijven doorgaan. Anders wordt het ons onder onze reet vandaan gehaald.” Toch is ook Ollie na de aankoop weggegaan. “Het groeide mij een beetje boven het hoofd. Het plan werd te groots en ik had eigenlijk geen zin om een deel aan te kopen voor mezelf.”

André was een van de kartrekkers bij de legalisering van het ACU. Ook hij was er sinds halverwege de jaren tachtig vrijwilliger. “We vonden het zonde als deze plek zou verdwijnen”, zegt hij. Legalisering was een manier om het te behouden. Er werden plannen gemaakt met architecten, politieke partijen benaderd, fondsen en leningen gezocht en gevonden. André richtte samen met een paar anderen Stichting Voorstaete op. Daar vallen het ACU en Hostel Strowis nu nog steeds onder. André is nog steeds bestuurslid. “Het was een spannende tijd. De gemeente wilde het gebied onteigenen. Eigenaar Maas wilde het eerst niet verkopen. Toen hoorden we in 1995 ineens dat een bouwbedrijf het pand kocht. De gemeente is toen gaan bemiddelen en heeft – heel bijzonder, zelfs voor die tijd – garant gestaan.” Zodra het rond was, is er een enorme verbouwing ingezet. “Daar denk ik nog met het meeste plezier aan terug. We hebben daar ruim twee jaar lang verbouwd met een aannemer en in totaal bijna 150 vrijwilligers. Er was wel wat tegenstand vanuit de kraakbeweging, maar toch zijn er een heleboel mensen heel enthousiast geweest. Het is heel bijzonder geweest om met zo’n grote groep door te zetten.”

Een nieuwe generatie

Inge leerde eind jaren negentig via een vriendje het ACU kennen. Zij legt al jaren als vrijwilliger haar hele hart en ziel in deze plek. Ze regelt leveringen, coördineert, werkt mensen in, boekt bandjes, organiseert avonden en is een van de drie mensen die nu nog boven het ACU wonen. “We werken nog steeds met alleen maar vrijwilligers. We hebben altijd bewust gekozen voor geen financiele hulp of subsidie, want daardoor zijn we vrijer en hebben we geen afhankelijkheid. We hebben tot nu toe nooit gebrek aan vrijwilligers. Het is toch een unieke plek in Utrecht. We hebben een platte organisatie. Iedereen die iets wil organiseren, mag dat hier gewoon doen. Dat geeft veel verantwoordelijkheid maar ook veel vrijheid. Het is weleens rommelig, maar als ik eens bij andere uitgaansplekken in de stad ga kijken vind ik dat het nog wel meevalt eigenlijk.”

Het is een andere tijd, bevestigt ze. “In de jaren tachtig had je duizenden krakers per stad. Nu is dat wel veranderd. Het is iets realistischer geworden enerzijds, denk ik, maar ook de tijd is gewoon veranderd. Toch denk ik dat het idealisme weer terug zal komen. Met al die polarisering wordt het steeds belangrijker om een tegengeluid te laten horen. Bovendien is het ACU nog steeds idealistisch, net als vroeger. We hebben hier nog steeds benefieten tegen de kraakwet of de ontruiming van een kraakpand, of voor een klein project in Ghana. De fooienpot gaat maandelijks naar een goed doel. En we hebben uit principe lage entreeprijzen. Soms denk ik weleens dat je pas beseft hoe belangrijk iets was, als het weg is.”

Tekst: Merel Blom – Foto’s: Robert Oosterbroek en Het Utrechts Archief

13 Reacties

Reageren
  1. Rietje

    Mooi stukje Utrechtse geschiedenis.
    Op naar de volgende 40 jaar.

  2. Utrechter

    Broedplaats van linkse geweldplegers daar lees ik niets over.

  3. Teun

    Het ruikt daar binnen een beetje.

  4. Justin

    En natuurlijk moet er weer een bittere, door de tijd achterhaalde meneer zijn gezeur achterlaten in de comments van dit mooie artikel.

  5. Inge

    Wat een leuk stuk!
    Dank jullie wel

  6. Berend

    Leuk artikel! Mooi stukje Utrechtse geschiedenis.

  7. Bas

    Mooi stukje !!! <3 Acu

  8. Marcel Gieling

    Mooi geschreven en informatief artikel Merel

  9. Cico

    Leuk stuk, wil meer weten

  10. Teunis

    Ongeacht het politieke extremisme in de kraakbeweging (en er staat in het stuk dat dat in Utrecht minder speelde), ben ik hen dankbaar voor alle kaalslag in de stad die ze voorkomen hebben. Je moet er toch niet aan denken dat daar nu een parkeergarage had gestaan? Voor het stadsbeeld zijn de krakers een welkome conservatieve kracht geweest!

  11. Jes.

    Juist door de inspanningen van de kraakbeweging zijn veel binnensteden nu ontzettend aantrekkelijk en een economisch succes. Ironisch genoeg is het zo dat vooral de tegenstanders van de kraakbeweging de vruchten van deze verhipping en veryupping plukken.

  12. Cor van Haasteren

    Even een updat. Uit de tijd dat ik in Utrecht woonde kwam ik een enkele keer wel eens in de garage van Maas, de ACU. Daar stond een oude Cadillac Eldorado cabriolet uit 1953, een enorme Amerikaanse slee, grijs en helemaal onder het stof maar nog met gave lederen bekleding en het chroom was ook nog redelijk goed. IK meen dat aan de andere zijde een oude Jaguar Mk 2 stond op de brug. Het verwonderde mij dat deze zeldzame klassiekers er al zo lang stonden en nooit gestolen zijn. Wat er verder mee gebeurt is weet ik niet, ze zullen op enig moment wel weggesleept zijn maar geen idee wie er eigenaar van geworden is. Je kon die garage medio 1975 gewoon binnenlopen en dan zag je die klassiekers daar staan. Fascinerend, nooit zoiets meer meegemaakt midden in een stad. Heeft iemand ooit nog foto’s gemaakt van die oude wagens? Ik vrees van niet, in die tijd werd er nog niet zoveel gefotografeerd als tegenwoordig.
    Cor van Haasteren
    Amsterdam (oud Utrechter)

  13. Max Frehe

    Hallo Cor,

    Ik heb een heleboel te vertellen over hetgeen jij aantrof.
    Leuk om daarover een keer van gedachten te wisselen.

    Max
    (oud Utrechter)

Plaats een reactie

Lees voor u reageert onze algemene voorwaarden. Alle reacties worden vooraf gemodereerd. Uw IP adres is geregistreerd (wordt niet gepubliceerd).