Verdwenen fabrieken: Het Hollandsche Bijenpark aan de Croeselaan | De Utrechtse Internet Courant Verdwenen fabrieken: Het Hollandsche Bijenpark aan de Croeselaan | De Utrechtse Internet Courant

Verdwenen fabrieken: Het Hollandsche Bijenpark aan de Croeselaan

Verdwenen fabrieken: Het Hollandsche Bijenpark aan de Croeselaan
Uit: Utrecht's nijverheid en handel in woord en beeld (1913)
Van alle chemische industrie die Utrecht gekend heeft, had één fabriek de meest onschuldige naam. Het Hollandsche Bijenpark van L. Aug. Bruijn & Co aan de Croeselaan 26 produceerde boenwas, poetsmiddelen en schoensmeer op basis van bijenwas. Er kwamen wel allerlei chemische processen en hulpstoffen aan te pas. De idyllische benaming had zijn oorsprong tussen de bijenkorven op een buitenplaats ver van Utrecht.

Van alle chemische industrie die Utrecht gekend heeft, had één fabriek de meest onschuldige naam. Het Hollandsche Bijenpark van L. Aug. Bruijn & Co aan de Croeselaan 26 produceerde boenwas, poetsmiddelen en schoensmeer op basis van bijenwas. Er kwamen wel allerlei chemische processen en hulpstoffen aan te pas. De idyllische benaming had zijn oorsprong tussen de bijenkorven op een buitenplaats ver van Utrecht.

In 1884 begonnen de tuinman Friederich August Kelting (1845-1922) uit Velsen en de Amsterdamse makelaar Laurens Augustus Bruijn (1836-1909) met Het Hollandsche Bijenpark op de buitenplaats Roos en Beek in Santpoort (bij Velsen). Naar buitenlands voorbeeld bedreven zij bijenteelt op een grootschalige manier. Tijdschrift Eigen Haard schreef na een bezoek in 1886: ‘De getimmerten van het park bestaan uit vijf bijenstallen. In de grootste er van kunnen drie rijen korven boven elkander worden geplaatst. Hij is ingericht voor ongeveer 300 korven. De overigen zijn van twee rijen en kunnen te zamen ruim 500 opzetters bevatten.’ Bruijn en Kelting gebruikten een nieuw soort korven en ook bijenkasten.

De ligging tussen de duinen en vruchtbare landerijen was ‘van den gunstigsten invloed op het product zelf. Zij is veel blanker, van eene prachtige kwaliteit en daardoor bij uitstek voor tafelhonig geschikt.’ Al snel ontstond het idee om ook andere producten te gaan maken zoals boenwas. En in 1888 meldde een krant: ‘Thans is het den heeren Bruyn en Kelting gelukt, om uit den pershonig, die voor menschelijk voedsel onbruikbaar is, een doeltreffende poetspommade te fabriceeren, die, naar men verwacht, weldra als poetsmiddel voor allerlei metalen een eerste plaats zal innemen. Langs chemischen weg zijn genoemde heeren er in geslaagd den honig toe te passen als reinigingsmiddel voor alle metalen, waaraan het een blijvenden glans verschaft.’

Tekst loopt door onder de foto

Luchtfoto Croeselaan uit 1921 met ligging Bijenpark en buren (Het Utrechts Archief)

Verhuizing en opvolging

De eenvoudige werkplaats op de buitenplaats groeide uit tot een kleine fabriek. Toen ook schoensmeer in productie werd genomen met het Nederlandse leger als grote afnemer, was het tijd voor opsplitsing. In 1903 werd het houten fabrieksgebouw gesloopt en begon Bruijn een nieuwe poetsmiddelenfabriek in het midden des lands, terwijl Kelting de bijenteelt in Velsen voortzette. De fabriek kwam aan de Croeselaan in Utrecht, gunstig gelegen aan water- en spoorwegen. Op dit nieuwe bedrijfsterrein was kort daarvoor ook Machinefabriek Frans Smulders gevestigd. Bruijns gebouw bestond uit werkplaatsen, een smelterij en een laboratorium. Het woonhuis voor de eigenaar werd al na enkele jaren vervangen door een kantoor. Architect was Rijk Rijksen Gzn., bekend van Apotheek De Liefde en de Internationale Automobiel Centrale aan de Biltstraat.

Nadat de oprichter in 1909 overleed, volgden zijn beide zoons hem op: Adrianus Bruijn (1866-1938) en Laurens Augustus Bruijn jr. (1872-1947). Over die laatste schreef het Utrechtsch Nieuwsblad later: ‘De heer Bruyn was een man van eenvoudige aard met een hang naar studie, welke hij speciaal op de chemische afdeling van het bedrijf richtte. Zijn broer verzorgde daarbij in hoofdzaak de handelstechnische zijde.’

In 1916 kreeg de fabriek vergunning ‘tot het uitbreiden van hare door gaskracht gedreven inrichting tot het vervaardigen van poetsmiddelen’. Daarbij werd het perceel van een naastgelegen cacaofabriek toegevoegd. Later zouden er nog loodsen bijkomen en opslagtanks voor 15.000 liter terpentine en 5.000 liter benzine. In 1917 volgde de overname van Stein en Zonen, ‘Eerste Nederlandsche Fabriek voor Alcoholische Vernissen en Politoeren; Moderne-, Gewone- en Wasbeitsen’. Die werd als afdeling opgenomen in het fabriekscomplex van Het Hollandsche Bijenpark.

Huishoud Wrijfwas van het Hollandsche Bijenpark (Alf van Beem, Wikimedia Commons)

Licht fabriekswerk

Vanaf de eerste Jaarbeurs presenteerde het bedrijf zich daar met stands. In 1923 schreef het UN daarover: ‘Naast de quantums was, die niet mindere nijvere huismoeders van wrijfmiddelen voorzien, brengt deze firma thans weer ijzerpolitoer, een artikel, waarvan vele huisvrouwen de onfeilbare werking zullen kunnen ondervinden.’ De producten van Het Hollandsche Bijenpark waren landelijk bekend, niet alleen de gele bussen met huishoudwrijfwas voor meubels en vloeren, maar ook de kachelpommenade, schoencream en ‘Ledervriend’.

Na het overlijden van een van de broers in 1938 werd het bedrijf een NV die losser van de familie Bruijn stond. Het jaar daarop was er een gouden jubileum. Bedrijfsleider Paulus Oorthuijsen (1873-1958) ontving een koninklijke onderscheiding vanwege zijn vijftigjarig dienstverband. Hij was op 16-jarige leeftijd begonnen als knecht op het landgoed in Velsen en was meegekomen naar Utrecht. Ook daar adverteerde Het Hollandsche Bijenpark regelmatig met: ‘Nette jongens gevraagd, 14-16 jaar voor licht fabriekswerk’. Vergeleken met de naastgelegen machinefabriek klopte dat laatste wel.

Nota uit 1953 (Het Utrechts Archief)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf geplaagd door wasdiefstallen. Na de bevrijding stond Het Hollandsche Bijenpark tijdelijk onder curatele van het Nederlands Beheersinstituut, zoals met collaborateurs of Duitse eigenaren gebeurde. Waarom dit was, zou moeten worden uitgezocht. Niet lang daarna gaf architect Peter Van der Wart het kantoor een modern aanzien, maar een nota uit 1953 gaf het fabriekscomplex veel te groot weer. Personeels- en productadvertenties verschenen nog tot 1964. In de jaren daarna moet het bedrijf zijn gestopt. Omstreeks 1970 is het terrein aan de Croeselaan, samen met dat van de machinefabriek, herontwikkeld tot kantoorlocatie. Sinds 2002 maakt het deel uit van het Rabobank-hoofdkwartier.

Arjan den Boer

Arjan den Boer

Arjan den Boer is publicist over geschiedenis, design, monumenten en architectuur. Voor DUIC schrijft hij dit jaar over verdwenen villa's in Utrecht.

Profiel

2 Reacties

Reageren
  1. Ton Hooft

    Dank voor weer een mooi verhaal met ook weer bijzondere links als extra! Boeiend om op de luchtfoto met toelichting uit 1921 te zien hoe anders het vooral was tussen de Croeselaan en Kruisvaart, mooi in- en overzicht!

  2. Katja

    Gaat vast een boek van komen over verdwenen bedrijvigheid. Laat maar komen DUIC !

Plaats een reactie

Lees voor u reageert onze algemene voorwaarden. Alle reacties worden vooraf gemodereerd. Uw IP adres is geregistreerd (wordt niet gepubliceerd).