Brandspuithuis aan de Geertekerk vlak voor sloop in 1943.
Brandspuithuis aan de Geertekerk vlak voor sloop in 1943.

Brandspuithuis aan de Geertekerk

Kerk en staat zijn tegenwoordig gescheiden, en dat geldt zeker voor kerk en brandweer. In vroeger eeuwen lag dat anders. Kerken stonden centraal in een buurt en daar werden ook de brandspuiten ondergebracht: in spuithuisjes aan of naast de kerk. De eerste spuiten van Utrecht stonden vanaf 1660 bij de Catharijnekerk, Janskerk en Jacobikerk. Een eeuw later kwamen daar de Buurkerk en Geertekerk bij. Bovendien was de centrale brandwacht vanouds gevestigd in de toren van de Buurkerk, waar met de Banklok groot alarm kon worden geslagen. Als laatste van de genoemde brandweerposten werd in 1943 het spuithuisje afgebroken dat vastzat aan de Geertekerk.

De Buurkerk had Suster Bertken, de Jacobikerk Alyt Ponciaens: vrome kluizenaressen die zich in de late middeleeuwen lieten inmetselen in een cel aan de kerk. Ook de Geertekerk kende in de 15e eeuw zo'n kluizenares, Suster Agnes oftewel Agnes van Zantwijck. Haar cel aan de Geertekerk bleef bewaard, een soort uitbouw in de hoek van transept en koor aan de zuidoostzijde. Dit was aan het Kleine Geertekerkhof, vlakbij de nauwe doorgang met de huizen daar. Toen eind 18e eeuw een brandspuit moest worden ondergebracht bij de Geertekerk, 'heeft men bedacht de kluis hiertoe uit te bouwen'. Daarbij werd de kopgevel nieuw gemetseld en van wagendeuren voorzien.

Brandspuit No. 1

De Geertekerk zelf was eind 18e eeuw bouwvallig en in gebruik als stal en opslagplaats. In 1814 werd het gebouw opgeknapt en weer als kerk in gebruik genomen, maar het brandspuithuisje bleef. Tijdelijk kreeg het bouwsel wel een andere functie. In 1855 werden zo'n 500 inwoners van Veenendaal, dakloos geworden door een watersnood, wekenlang in de Geertekerk opgevangen. Het brandspuithuis diende toen als 'waschhuis' waarover het opvangcomité schreef: 'Allen worden gereinigd, gewasschen en verschoond en geheel nieuw gekleed; de kleederen die de meesten aan hebben, waren onbruikbaar.'

Eind 19e eeuw stond de brandspuit aan het Geertekerkhof bekend als Spuit No. 1 van in totaal tien spuiten die de stad toen telde. Wat de nummervolgorde bepaalde, is onbekend. Ondertussen stonden alle andere brandspuiten niet meer bij kerken maar in aparte huisjes aan bijvoorbeeld Vredenburg, Tolsteegsingel, Korte Lauwerstraat en Biltstraat. Alleen die aan de Geertekerk bleef. Het voormalige spuithuisje aan de Jacobikerk stond er nog wel, maar werd in 1913 gesloopt. Rond die tijd verdween ook de torenwachter van de Buurkerk.

De sleutelhouder van het brandspuithuis aan de Geertekerk was lange tijd Bernardus Martinus Koster (1846-1930). Hij had een tapperij ofwel café op Geertekerkhof 1, hoek Geertestraat, op 20 meter van het spuithuis (via de smalle doorgang). Dat was een handige locatie om de sleutel op te halen bij brand omdat de caféhouder er vrijwel altijd was. 

Zo brak er op 8 augustus 1894 om middernacht brand uit bij sigarenmaker Wisman op Oudegracht 384. Het bovenhuis stond in lichterlaaie. 'De brandspuit No. 1 van het Geertekerkhof kwam het eerst aan, en gaf spoedig water', aldus het krantenverslag. 'Het huisgezin van den meesterknecht, die als huisbewaarder boven den winkel woonde, is gelukkig gered.' Aangrenzende huizen bleven gespaard en om 2 uur volgde het sein 'brand meester'.

Commandeur Das

In 1896 werd als nieuwe commandeur (bevelvoerder) van Spuit 1 benoemd Jacob Das (1865-1931), kruidenier van de Oranjegrutterij op Twijnstraat 60. Hij was daarvoor 2e commandeur van Spuit 8 aan de Tolsteegsingel, dicht bij zijn huis. Een jaar eerder nog hadden Spuit 1 en Spuit 8 het tegen elkaar opgenomen bij een uitslaande brand aan de Westerkade, toen de Tolsteeg-ploeg van Das de eerste premie binnenhaalde en de Geertekerk-ploeg het met de tweede premie moest doen. De ploeg die het eerst arriveerde, ontving namelijk de hoogste premie. 

Tijdens een feestje in proeflokaal Koot aan de Abstederdijk — pal achter het brandspuithuisje aan de Tolsteegsingel — ontving Das in juni 1896 'een bewijs van achting en waardering' van zijn oude manschappen: 'een prachtig uitgevoerd inktstel met inscriptie'. Jacob Das was van 1900 tot 1907 ook lid van de gemeenteraad voor de de anti-revolutionairen en voerde regelmatig het woord over brandweerzaken. Zoals in 1902 over de verhoging van de vergoeding voor spuitgasten naar 25 cent per uur bij wachtdienst en 30 cent bij brand.

Verder was Das actief bij het Gezelschap Utrecht's Brandweer, een soort personeelsvereniging die in 1926 betrokken was bij het Brandweermuseum in het Catharijneconvent. Daar toonden ze bijvoorbeeld 'de oude koperen roeper, waarmee de voormalige torenwachter van den Buurtoren de gansche slapende gemeente voor een onschuldig nachtelijk schoorsteenbrandje kon wakker bulderen'. Overigens gaf Jacob Das de brandweerliefde door aan zijn zoon. Jan Das (1903­-1982) zou van 1953 tot 1968 hoofdbrandmeester ofwel commandant zijn van de Utrechtse brandweer.

En hoe liep het af met het brandspuithuis aan de Geertekerk? Door de professionalisering van de brandweer en de opkomst van brandweerauto's waren de spuithuisjes steeds minder belangrijk. In 1942 werden ze opgeheven. De Geertekerk stond sinds 1930 leeg en raakte opnieuw in bouwvallige staat. Tien jaar later viel het besluit om de kerk af te breken. 'Ook het onooglijke brandspuithuisje, dat daar tegen de kerk aanleunt, zal verdwijnen', schreef een krant. Dat gebeurde in 1943 inderdaad, maar het kerkgebouw zelf bleef staan als ruïne. De Geertekerk werd rond 1955 gekocht en gerestaureerd door de Remonstrantse Gemeente.

De ploeg van Spuit 1 (Geertekerkhof) omstreeks 1915.