
Politiepost op Het Hoogeland
In 1887 kocht de gemeente Utrecht de buitenplaats Het Hoogeland aan het eind van de Biltstraat. In het landhuis, bijgenaamd het Witte Huis van Utrecht, kwam het Stedelijk Museum van Oudheden. Maar het ging de gemeente vooral om het landgoed van 8 hectare waarop een nieuwe woonwijk voor gegoede burgers moest komen. Toen de bouw van villa's en geschakelde herenhuizen aan de Ramstraat en Emmalaan vorderde, werd in 1895 een politiepost geopend aan de Prinsesselaan. De kleine houten kiosk paste goed in de parkachtige omgeving.
Het duurde aanvankelijk even tot de woningbouw op gang kwam, die afhankelijk was van particulier initiatief. De eerste villa was in 1894 Nieuw Beresteijn aan de Museumlaan 7, een ontwerp van de Utrechtse architect Petrus Johannes Houtzagers. Hij tekende in datzelfde jaar ook voor de eerste woningen aan de Ramstraat 23-29.
Toch stelde al in 1892 een gemeenteraadslid voor om 'op het Hoogeland bij het Museum' een Hulpbureau van Politie te openen. Niet zozeer voor de (toekomstige) bewoners, maar 'omdat die drukke
toegang tot de stad bijna geheel onbewaakt is; vooral met het oog op den invoer van bedorven vleesch'. Destijds was de politie verantwoordelijk voor de keuring van vlees en vee dat de stad binnenkwam en agenten moesten daarom alle invalswegen bewaken, in dit geval de Biltstraat.
R.K. Begraafplaats
De burgemeester antwoordde in 1892 op het verzoek van het raadslid: 'Het plaatsen van een hulpbureau op het Hoogeland bij het Museum, zouden wij nog niet durven voorstellen, omdat mogelijk na den aanleg van het Oudwijkerveld zal blijken, dat elders eene meer geschikte plaats daarvoor kan worden aangewezen.' Het aangrenzende Oudwijkerveld was namelijk ook aangekocht en werd eveneens bebouwd; het zou als nieuwe naam Wilhelminapark krijgen.
Toch koos de gemeente in 1895 alsnog voor de Prinsesselaan op het Hoogeland als locatie voor het hulpbureau. 'Bedoeld wachthuisje zal worden geplaatst tusschen het gemeente-museum en de r.k. begraafplaats, in de nabijheid van de brug over de Biltsche Grift. De kosten van den bouw zullen ongeveer ƒ 1500 bedragen.' De rooms-katholieke begraafplaats Sint-Barbara was al in 1875 gesticht naast Het Hoogeland. De politiepost kwam bij de brug die de toegang vormde.
Om zo dicht bij de begraafplaats te mogen bouwen, vroeg de gemeente goedkeuring bij de provincie Utrecht. 'Hiertegen bestond geen overwegend sanitair bezwaar.' Tegelijkertijd wees de provincie een aanvraag voor woningbouw nabij een andere begraafplaats af, maar tegen een politiepost was dus geen bezwaar. Enkele raadsleden maakten zich nog wel zorgen om schade 'aan de op die plek aanwezige bomen'. Toch werd het houten gebouwtje in het najaar van 1895 in gebruik genomen.
Uitbreiding en inkrimping
De bezetting van het Hulpbureau van Politie bestond uit '1 hoofd-agent en 4 agenten bij dag en hetzelfde personeel bij nacht'. Vanwege de groei van de wijk werd in 1907 besloten tot een uitbreiding met één agent (eigenlijk twee, vanwege de nachtdienst). Het zal krap geweest zijn in de houten kiosk. Maar: 'Indien later een hulpbureau wordt gebouwd op het daarvoor aangekochte terrein in de Gerard Dou–straat, kunnen de 2 man van het Hoogeland een deel van die bezetting daarvan vormen.'
En inderdaad, in 1911 bouwde de gemeente een nieuw politiebureau aan de Gerard Doustraat, een zijstraat van de oude Vossegatsedijk, destijds een uitvalsweg. Aan de Doustraat verrezen de eerste woningen van de nieuwe Schildersbuurt. Het nieuwe hulpbureau daar was geen houten kiosk maar een fraai stenen gebouw, 'een paleis in 't klein' volgens een kritisch gemeenteraadslid. Een ander raadslid vond het nieuwe bureau overbodig: 'De politie-bureaux aan de Maliebrug, de Tolsteegbrug en op het Hoogeland beveiligen het daarachter gelegen stadsgedeelte voldoende.' Toch ging het door en zo verloor de politiepost Hoogeland in 1911 weer twee agenten.
In 1927 werd het Hulpbureau op het Hoogeland een van de eerste slachtoffers van de centralisatie van de politie, vooruitlopend op de bouw van de grote bureaus Tolsteeg en Paardenveld. De hoofdcommissaris meldde dat de politiepost 'volgens de ervaring, gemist worden'. Raadsleden sputterden tegen vanwege 'de ongevallen op den Biltschestraatweg als gevolg van het drukke verkeer'. Volgens een ARP-gemeenteraadslid kon in plaats daarvan op de politie bezuinigd worden 'door eenvoudig administratief werk niet door inspecteurs, doch door anderen te laten verrichten', een gedachte die tegenwoordig ook wel klinkt.
Op 14 februari 1928 werd werd de houten politiepost afgebroken. Slopers hadden niet meer dan een dag nodig. Het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad schreef: 'Gelukkig dat het oude getimmerte thans verdwijnt. Het is maandenlang een ergernis geweest voor degenen, die prijs stellen op schoonheid in het stadsbeeld. Als nu straks het voorjaar het Hoogeland in bloei zet, zal deze park-ontsiering niet opnieuw de entourage tot een aanfluiting zijn.' De krant wist te melden dat de overblijfselen verkocht waren aan iemand die er een duiventil of kippenhok van wilde maken. De politiepost aan de Gerard Doustraat overleefde de centralisatie en bleef tot 1963 open. Het gebouw staat er nog en is nu een bijzonder woonhuis.a
