Raymond in de achterkamer aan de Croeselaan 343.
Raymond in de achterkamer aan de Croeselaan 343. Raymond in de voormalige onderduikkamer boven zijn kapperszaak aan de Croeselaan 343. Foto: Bas van Setten / Tekst: Else Marie Vonk

Achter de deuren van Croeselaan 343 gaat een bijzonder verhaal schuil

Raymond kan er een boek over schrijven. De kleinzoon van Bernard en Elisabeth van der Vlist verzamelt al jaren informatie over het bijzondere verzetsverhaal van zijn grootouders. Als opvolger van zijn opa staat hij nog dagelijks midden in het decor waar dit stukje oorlogsgeschiedenis zich afspeelde: kapsalon Van der Vlist aan de Croeselaan 343.


Het blijft voor Raymond (61) een speciaal gevoel. Nog elke dag knipt hij klanten op de plek waar zijn grootouders Bernard en Elisabeth van der Vlist de hoofdrol speelden in een bijzonder verzetsverhaal. Op 4 mei vertelt hij in zijn kapperszaak, als een van de Open Joodse Huizen, hun verhaal. DUIC mocht hem vooraf al spreken. 

Begin van de oorlog


In 1938 openen zijn grootouders Bernard en Elisabeth hun herenkapsalon aan de dan net nieuwe Croeselaan, op nummer 343. “Mijn opa en oma trouwden begin jaren ’20 en kregen drie zonen, van wie er één vlak voor de oorlog overleed. Mijn oma was op dat moment zwanger van mijn tante. Toen de Croeselaan in 1938 klaar was, verhuisden ze met hun kapsalon daarheen.” Amper twee jaar later breekt de oorlog uit. “Net als veel Nederlanders kregen mijn opa en oma een Duitser ingekwartierd, Walter heette hij.” Hoe lang is onbekend, maar waarschijnlijk vrij kort. Volgens de doorvertelde familieverhalen krijgt het gezin na de Februaristaking in 1942 namelijk de eerste onderduikers in huis. Dit zijn eerst Nederlandse mannen uit de spoorbranche die tewerkstelling in Duitsland willen ontlopen, later ook Joodse mensen. “In de kapsalon liepen natuurlijk veel mannen in en uit. Sommigen vroegen of ze konden overnachten. Zo begon het verzet.”

Illegale kranten

De zaak is vanaf 1942 ook een belangrijk uitdeelpunt voor illegale kranten, omdat de Duitsers de persvrijheid beperken. Het gaat om het blad ‘De NieuwsBode’. Dagelijks worden zo’n zes- tot zevenhonderd exemplaren afgeleverd bij de kapsalon. Die moesten door medewerkers van het verzet worden bezorgd op diverse locaties. “Later ontdekte ik dat daar geld mee werd verdiend: zo’n 2 gulden per krant, veel voor die tijd. Dat vroegen mijn opa en oma om onderduikers te onderhouden.” Een leuk feitje is volgens Raymond dat de zaak nog steeds een verdeelpunt is: “Ook vandaag de dag verspreiden wij folders met activiteiten voor de wijk én zijn we afhaalpunt voor DUIC.”

Fruit- en groenteveiling

Een opvallend detail is dat het onderduikadres van de familie Van der Vlist op steenworp afstand ligt van een belangrijke nazi-locatie: de fruit- en groenteveiling aan het Heycopplein. Dat was destijds de rand van de stad en een logistiek knooppunt. De Duitsers hielden daar vaak bijeenkomsten en rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart gaf er speeches. Een van zijn kantoren zat aan de Maliebaan.

Een bijzondere brief van een voormalig onderduiker, toen tien jaar oud, illustreert dit. “Zondag nadat wij bij de familie kwamen, was er op het terrein een massameeting van de nazi’s (foto rechtsonder, red.) met deelname van Duitse rijkscommissaris van Nederland - Seys-Inquart - die na de oorlog ter dood veroordeeld is in het proces tegen oorlogsmisdadigers in Nurnberg. Ik kan me herinneren dat ik er veel genoegen van had dat ik van de onderduikplaats de man kon zien die door de ‘fuehrer’ beopdracht was de Joden in Holland te vernietigen, terwijl hij mij niet zien kan!”, schrijft hij. Die dag werd het tienjarig bestaan van de NSB gevierd. De jongen heeft de oorlog overleefd. 

“Het pand was te vergelijken met het Achterhuis van Anne Frank”, zegt Raymond. “Boven de zaak zat een torentje met verborgen slaapkamers. Daar leefden door de jaren heen tientallen mensen. Ook in de schuur en, bij groot gevaar, in de kruipruimte.”
Een van de Joodse families die een tijdje aan de Croeselaan onderduiken, is de familie Emanuelle. Alle drie - vader, moeder en zoon Samuel - overleven ze de oorlog en vertrekken daarna naar Israël. “Vijftig jaar later namen ze contact met ons op. Jaarlijks vertellen zij nog het verhaal over mijn oma, die haar keuken afstond om mevrouw Emanuelle koosjer te laten koken. Dat vonden zij heel bijzonder!”

Levensloop opa Bernard

Jarenlang houdt de familie het vol. Tot Bernard in 1943 onverwachts wordt gearresteerd, met 1400 gulden voor onderduikers op zak. Hij is verraden vanwege zijn rol bij de illegale kranten. Na verhoor wordt hij veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis. “In de verhoren lees je dat hij het luchtig opnam en lacherig deed tegen de Duitsers. Op de vraag waarom hij dit deed, zei hij: ‘Ik wilde de held van Nederland worden’. Dat typeerde hem”, vertelt Raymond. 

Via ‘Hotel Oranje’ in Scheveningen en het Wolvenplein in Utrecht wordt Bernard naar een gevangenis in het Duitse Siegburg gedeporteerd. Elisabeth weet hem nog een pakket met spullen te bezorgen bij station Nijmegen. Het is de laatste keer dat zij en de kinderen hem zien.

In de tijd die volgt, is er af en toe briefcontact. “Daarin schrijft hij dat het goed gaat en dat hij genoeg te eten krijgt”, zegt Raymond. Een kanttekening is dat de brieven worden gecheckt door de Duitsers. Later wordt bekend dat Bernard een vluchtpoging heeft gedaan, maar zonder succes. “Hij werd zwaar gestraft: hij moest vastgebonden veertig kilometer achter een auto aanlopen en zat daarna opgesloten in een cel met water tot zijn knieën.” Toch wordt hij weer ingezet als kapper, waardoor hij een wat ‘luxere’ positie heeft. 

Maar het verhaal eindigt treurig: Bernard sterft net voor het einde van de oorlog, in april 1945, aan vlektyfus. De ziekte breekt uit in zijn gevangenisvleugel. Niemand overleeft het.

Elisabeth wordt opgepakt

Elisabeth houdt zich in al deze jaren sterk. “Na de arrestatie van mijn opa wordt oma alleen maar actiever in het verzet. Ze helpt bij wapensmokkel, verspreidt nog steeds illegale kranten en installeert een zender om met Londen te communiceren”, vertelt Raymond. 

Ook weet hij dat zijn oma er niet voor schuwde zich provocerend te gedragen. “Mijn oom vertelde dat ze met een broche van koningin Emma over straat ging. Als een soldaat ernaar wees, zei ze: ‘Afblijven!’. En toen iedereen koper moest inleveren, gaf mijn oma alleen een asbak. Vervolgens nodigde ze de Duitser uit voor de koffie en stond haar hele keuken vol met koperen spullen.”

Maar uit de verhalen weet Raymond dat de Duitse soldaten zich soms ook onverwacht goedaardig opstellen. “Ik hoorde bijvoorbeeld over een soldaat die bij hen in huis veel geld en voedselbonnen zag liggen, maar niets zei. Ook kreeg mijn oom een keer extra eten mee voor het gezin.”

Toch gaat het op een dag fout en wordt Elisabeth opgepakt. “Een ouder Joods stel dat bij haar onderdook, was boos op mijn oma. Ze hadden in de woonkamer een altaartje gebouwd, waarna ze van oma in de schuur moesten slapen. Bij een Duitse inval zou door het altaartje namelijk direct duidelijk worden dat er Joden ondergedoken zaten. In hun dagboek schreven ze dat ze boos waren op Elisabeth. De onderduikers werden later op een ander adres opgepakt. De Duitsers vonden het dagboek en arresteerden mijn oma. Ze werd naar kamp Vught gebracht. Maar het bizarre was: omdat in het dagboek stond dat ze niet goed voor Joden was, lieten ze haar toch weer vrij.”

Wonen bij Wilhelmina 

Elisabeth overleeft de oorlog, maar stort daarna volledig in. Ze verblijft veertien maanden op Paleis Het Loo in Apeldoorn, waar koningin Wilhelmina een hersteloord voor oorlogsweduwen heeft ingericht. Uiteindelijk overlijdt ze in 1980. Bernard is al in 1955 herbegraven op de erebegraafplaats in Loenen. Elisabeth wordt daar, bij uitzondering en naar haar wens, bijgezet.

Ook in de jaren die volgen, is er erkenning voor het verzetswerk van het stel. In de jaren ’90 ontvangt de familie bericht dat Bernard postuum een Yad Vashem-onderscheiding krijgt, een Israëlische onderscheiding voor niet-Joden die tijdens de Holocaust Joden hielpen overleven. In 1995 reist Raymond met zijn oom (92), de nog enige overlevende uit het gezin, naar Jeruzalem om de medaille op te halen. “Dat was heel bijzonder. Bussen vol nazaten kwamen ons bedanken.”

Kapsalon Van der Vlist is in al die jaren altijd opengebleven. Na de oorlog zetten knechten de zaak voort. Tien jaar later, in 1955, neemt Raymonds vader de zaak over. Veertig jaar verder is Raymond aan de beurt. Of de zaak na ruim honderd jaar nog in de familie blijft, is de vraag. Mogelijk neemt een van Raymonds zonen de kapsalon nog over. Maar wat er ook gebeurt aan de Croeselaan 343; het verzetsverhaal zal altijd in leven blijven. a

Meer verzetsverhalen zijn gratis bij te wonen op 4 mei bij 15 Open Joodse Huizen in Utrecht. Raymond spreekt om 11.00 aan de Croeselaan 343. Meer info op jck.nl/openjoodsehuizen


Foto’s boven naar onder: (1) Familie Van der Vlist, ingekwartierde Duitse soldaat in midden. (2) Familiefoto jaren ‘40. (3) Veilingterrein voor de oorlog, rechtsachter nr. 343. (4) Seyss-Inquart en Mussert, viering 10 jaar NSB op veilingterrein.

Het gezin Van der Vlist met de ingekwartierde Duitser in het midden.
Arthur Seyss-Inquart tijdens het tienjarig bestaan van de NSB op het veilingterrein in 1943.
Het veilingterrein bij de Croeselaan.
Het gezin Van der Vlist.