Achter gesloten deuren bij het proefdiercentrum in Utrecht: ‘Vroeger trok je zó een blik ratten open’

Pascalle van Loo in het proefdiercentrum. Foto: Bas van Setten
Pascalle van Loo in het proefdiercentrum. Foto: Bas van Setten

In ‘Achter gesloten deuren’ bezoekt DUIC locaties in de stad waar de meeste Utrechters niet kunnen of mogen komen. Deze week nemen we een kijkje in het Gemeenschappelijk Dierenlaboratorium, de plek waar de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht een groot deel van hun dierproeven doen.

Het laboratorium is te vinden in een verouderd pand op het Utrecht Science Park. De inrichting is functioneel, sober en ietwat kil. Het beton overheerst. We maken er kennis met Pascalle van Loo, (55) zij kwam voor het eerst in het lab als student en deed er haar promotieonderzoek naar de huisvesting van proefdieren. Op dit moment is Van Loo hoofd van de Instantie voor Dierenwelzijn Utrecht. In deze rol voert ze controles uit en adviseert ze de universiteit en het UMC over het welzijn van de dieren.

Beperken dierenleed

Van Loo leidt ons rond. In de gang staat een kast met geplastineerde organen, organen die zo bewerkt zijn dat ze meerdere malen voor onderzoek kunnen worden gebruikt. Het werken met geplastineerde organen is een van de methoden om het aantal proefdieren te beperken. Van Loo vertelt graag over het streven om het dierenleed in het laboratorium te verminderen. Dit doen ze op drie manieren; de eerste strategie is het zoeken naar alternatieve onderzoeksmethoden.

Tekst loopt door onder afbeelding

Het gaat hierbij bijvoorbeeld om geplastineerde of gekweekte organen en de inzet van virtual reality. Sinds kort biedt ook het gebruik van kunstmatige intelligentie nieuwe mogelijkheden, bijvoorbeeld bij het analyseren van grote datasets waardoor verborgen patronen zichtbaar worden, of door de giftigheid van nieuwe stoffen te voorspellen met machine learning. Het tweede spoor richt zich op het beperken van het aantal dieren per proef. De derde strategie is het beperken van leed bij de proeven waarbij de inzet van dieren wel noodzakelijk is.

Van Loo neemt ons mee naar een operatiekamer, waar twee wetenschappers bezig zijn een onderzoek voor te bereiden. Een dag later brengen ze een echosonde met glasvezel erop in bij een varken. Hiermee kunnen ze de lichaamstemperatuur heel precies meten, vertelt een van hen. De wetenschappers zijn niet de enige die aan de slag gaan met het varken. Voordat ze hun onderzoek uitvoeren, gaan chirurgen operatietechnieken oefenen op het dier. Het dier is gedurende alle ingrepen verdoofd en zal hiervan niet meer bijkomen. Door het varken voor twee verschillende doelen te gebruiken, hoeft men slechts één in plaats van twee varkens te gebruiken. Dit draagt bij aan het beperken van het aantal proefdieren.

Iets verderop is het konijnenverblijf. Op deze plek is klassieke muziek te horen door de speakers. Muziek als achtergrondgeluid zorgt ervoor dat dieren minder schrikken als er andere plotselinge geluiden te horen zijn, legt Van Loo uit. Het is hierbij niet zo dat het altijd klassieke muziek moet zijn. Van Loo legt uit dat er wettelijke eisen zijn voor de huisvesting van proefdieren. Zo moeten konijnen met meerdere dieren in een hok worden geplaatst en bestaan er normen voor de minimale grootte van de verblijven. Ook moeten de dieren speeltjes of nestmateriaal aangeboden krijgen.

Tekst loopt door onder afbeelding

Licht, matig en ernstig of terminaal

De mate waarin proefdieren lijden verschilt sterk. Verreweg het meeste onderzoek leidt tot wat de wet ‘licht’ of ‘matig ongerief’ noemt. ‘Licht ongerief’ ondervindt een dier bijvoorbeeld als het een injectie krijgt waarvan het nauwelijks last heeft. ‘Matig ongerief’ heeft een dier dat een operatie ondergaat waarvan het goed herstelt. Vijf procent van het onderzoek brengt ‘ernstig ongerief’ met zich mee. Een voorbeeld hiervan is een dier dat artritis krijgt en daar gedurende de studie last van houdt. Drie procent van de dierproeven valt in de categorie ‘terminaal’. In deze categorie overlijdt het dier onder verdoving tijdens de proef. Het varken waarbij de echosonde ingebracht zal worden is een voorbeeld van een dierproef in de categorie ‘terminaal’.

Van Loo legt uit dat ernstiger vormen van dierenleed soms niet te voorkomen zijn. “Als we onderzoek doen naar pijn, kunnen we het dier niet zomaar een pijnstiller geven. We proberen een dier dan zo vroeg mogelijk uit z’n lijden te verlossen door het te euthanaseren.”

Euthanaseren

Hoewel de meeste proefdieren niet overlijden tijdens een proef, worden ze na afloop ervan meestal alsnog gedood. Onderzoekers doen dit om het effect van de proef op de organen te onderzoeken. Dieren die niet gedood worden, worden als het kan opnieuw ingezet bij een andere studie. Het is één van de manieren waarmee men probeert het aantal proefdieren te beperken. Het is niet toegestaan een dier dat ernstig ongerief heeft ervaren opnieuw in te zetten voor een andere proef.

Tekst loopt door onder afbeelding

Opvallend is dat de wet spreekt van ‘licht ongerief’ als een dier na afloop van een proef wordt gedood. “Onder ongerief wordt lijden verstaan”, legt Van Loo uit. “Een dood dier lijdt niet”. Er gelden regels voor de manier waarop dieren mogen worden gedood. Een van de toegestane methodes is het laten stikken van het dier door CO2 toe te dienen. Dit moet zo gebeuren dat een dier eerst het bewustzijn verliest voordat het het gevoel krijgt niet meer te kunnen ademen.

Honden

Om het hondenverblijf te bezoeken, moeten we een witte jas en schoenhoezen aan. De honden zitten buiten op het moment van ons bezoek. Ze begroeten ons enthousiast en springen tegen het hek. “We doen hier onderzoek naar rugklachten”, zegt Van Loo uit. “Het onderzoek is erop gericht om rugklachten bij mensen en honden in de toekomst beter te kunnen bestrijden. De honden hebben een operatie ondergaan waarvan ze inmiddels goed zijn hersteld. Ze waren een tot drie jaar oud toen ze bij ons kwamen. De studie die we met ze doen duurt acht maanden. Daarna worden ze gedood om te kunnen zien hoe hun rug eruitziet”, legt Van Loo uit. Hoewel de honden vrolijk zijn, speeltjes hebben en in groepsverband zijn gehuisvest, brengt het onderzoek ook beperkingen met zich mee. Zo mogen de honden het laboratorium niet verlaten en kunnen ze dus niet worden uitgelaten.

Gezondheid van mens en dier

Van Loo vertelt dat er alleen onderzoek wordt gedaan met als doel de gezondheid van mens en dier te verbeteren. In het lab vindt geen onderzoek plaats voor de industrie of voor cosmeticaproducten. Dit laatste is al jarenlang verboden in Europa.

Het onderzoek in het Utrechtse lab heeft concrete resultaten opgeleverd. Zo is er door een combinatie van dierproeven en proefdiervrije methoden vooruitgang geboekt bij de behandeling van hersenschade bij baby’s . Ook is er vooruitgang geboekt op het terrein van immuuntherapie voor de behandeling van verschillende soorten kanker, vertelt Van Loo.

Tekst loopt door onder afbeelding

Ratten en muizen

Het overgrote deel van de proefdieren (86%) zijn ratten en muizen. Om te voorkomen dat we ziektes mee naar binnen brengen, gelden er strenge hygiënevoorschriften voor het bezoeken van de muizen- en rattenverblijven. Naast een witte jas en nieuwe schoenhoezen, moeten we een muts en mondkapje op.  Ook mogen we in de dagen voorafgaand aan ons bezoek niet in aanraking zijn geweest met knaagdieren.

Van Loo wilde huisvesting van de ratten verbeteren. De meeste ratten zitten in kleinere kooien dan de ratten die op de foto zijn afgebeeld. De kleinere kooien voldoen aan de wettelijke eisen, maar de ratten kunnen er niet in rechtop staan waardoor ze minder spiermassa ontwikkelen. Het gebrek aan bewegingsruimte leidt bovendien vaak tot overgewicht. Het probleem is dat er geen geschikte kooien voor ratten op de markt zijn, zegt Van Loo. De volière, waarin de ratten op de foto zitten, is bedoeld voor vogels en is volgens Van Loo niet geschikt voor wetenschappelijk onderzoek op ratten. Om het probleem aan te pakken, ontwikkelt het lab samen met een fabrikant een grotere kooi. Ook zet het lab zich in voor een strengere Europese richtlijn voor de huisvesting van ratten.

Samenwerken met dierenwelzijnsorganisaties

Het lab werkt samen met dierenwelzijnsorganisaties. Zo is met Proefdiervrij een project opgezet waarbij mensen hun overleden huisdier kunnen doneren, waardoor het tegenwoordig niet meer nodig is honden te doden voor het anatomieonderwijs bij Diergeneeskunde.

Een ander voorbeeld is het adoptieprogramma dat het lab samen met Animal Rights uitvoert. Proefdieren die na het onderzoek in leven blijven, krijgen hiermee een nieuw thuis. Sinds 2019 zijn met dit programma 2.300 dieren gered van een vroegtijdige dood.

Minder dierproeven

Er worden in Nederland steeds minder dierproeven gedaan. Het aantal nam af van 1.5 miljoen in 1978 tot 490.000 in 2022. Bij de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht daalde het aantal van 51.900 in 2001 naar 14.192 in 2023.

Volgens Van Loo is er tegenwoordig meer aandacht voor de natuurlijke behoeftes en de intrinsieke waarde van het dier. “Vroeger was het bij wijze van spreken makkelijker om te zeggen ‘we trekken een blik ratten uit de kast’. Tegenwoordig wordt bij elk dier de afweging gemaakt of het echt nodig is”.

We vragen Van Loo wat er zou gebeuren als we morgen zouden stoppen met de dierproeven. “Dan verplaatst het onderzoek zich naar het buitenland. En als ze ook in het buitenland stoppen met dierproeven kunnen veel geneeswijzen niet meer worden doorontwikkeld. Dierproeven zijn nu nog een belangrijke stap op weg naar onderzoek bij de mens. Autoriteiten moeten voldoende vertrouwen hebben in een product voordat ze onderzoek bij mensen toestaan. Dit vertrouwen wordt nu nog opgebouwd met dierproeven.”

“We moeten dus hard werken aan alternatieven voor dierproeven waarmee we dit vertrouwen kunnen opbouwen”, stelt Van Loo. “Dit gebeurt ook. Op het Utrecht Science Park is een nieuw centrum gevestigd dat zich toelegt op de ontwikkeling van proefdiervrije methoden. De Universiteit Utrecht en het UMC zijn ketenpartners van dit centrum.”

Of Van Loo denkt of we ooit helemaal afkomen van proefdieren? “Dat vind ik een lastige vraag. Ik hoop het wel. Ik denk alleen niet dat ik het zelf ga meemaken.”