De gemeente Utrecht gaat het protocol rond herdenkingen bij monumenten aanpassen na de ophef over de Nakba-herdenking op het Domplein in mei. Aanleiding is de veelbesproken situatie waarbij de kransen van de Nationale Dodenherdenking achter het Verzetsmonument werden geplaatst om ruimte te maken voor kransen tijdens de Nakba-herdenking. Tegelijkertijd blijft het college achter de aanwezigheid van burgemeester Sharon Dijksma en wethouder Linda Voortman bij die herdenking staan.
Gemeente scherpt protocol voor herdenkingen aan na ophef over Nakba-herdenking

De Nakba-herdenking leidde in mei tot veel kritiek nadat de 4 mei-kransen achter het Verzetsmonument waren gezet. De gemeente erkende eerder al dat dit "een grote menselijke fout" was en bood daarvoor excuses aan. Burgemeester Dijksma noemde het later "echt een grote fout".
Verder schrijft het college dat die gebeurtenis aanleiding is om het protocol rond herdenkingen opnieuw te bekijken. "We zien daarnaast aanleiding om het protocol rondom herdenkingen bij monumenten nader tegen het licht te houden", aldus het college. Verder schrijft het college: “Om deze situaties in de toekomst te voorkomen, hebben we de termijn voor het ophalen van kransen en andere voorwerpen die achtergelaten worden bij herdenkingen, aangescherpt”.
Geen politiek statement
Ondanks de kritiek blijft het college achter de keuze staan om bij de Nakba-herdenking aanwezig te zijn. Volgens het stadsbestuur was de aanwezigheid bedoeld als steun aan Palestijnse Utrechters en niet als politiek statement.
"Onze aanwezigheid bij de herdenking diende als steun voor de Palestijnse gemeenschap in Utrecht en hun geleefde ervaring", schrijft het college. Eerder in de beantwoording staat dat de burgemeester en wethouder aanwezig waren "ter erkenning en ondersteuning van Palestijnse Utrechters".
Volgens het college sluit het erkennen van het leed van de ene gemeenschap het erkennen van het leed van een andere gemeenschap niet uit. "Niet of of, maar én én", schrijft het stadsbestuur.
Geen aparte afspraken
Uit de beantwoording blijkt ook dat vooraf geen specifieke afspraken waren gemaakt met de organisatie over het plaatsen van spandoeken of andere uitingen bij het Verzetsmonument. Organisatoren worden volgens de gemeente in algemene zin gewezen op de regels voor openbare manifestaties, maar in dit geval zijn geen aanvullende afspraken gemaakt.
Verder bevestigt het college dat het vooraf wist dat de Palestijnse Gemeenschap Nederland (PGNL) betrokken was bij de organisatie van de Nakba-herdenking. JA21 en Utrecht Solidair vroegen daar onder meer naar omdat PGNL is opgericht door Amin Abou Rashed, tegen wie het Openbaar Ministerie strafvervolging heeft ingesteld en die door de Verenigde Staten op een sanctielijst is geplaatst vanwege banden met Hamas. Volgens het college staat Abou Rashed niet op een Nederlandse sanctielijst en heeft de AIVD geen signalen afgegeven die voor Utrecht aanleiding gaven de aanwezigheid bij de herdenking te heroverwegen.



