In deze serie over NIMBY – Not In My Backyard –, in Vlaanderen ook wel NIVEA - Niet In Voor- En Achtertuin – genoemd, kijken we naar zaken die Utrechters graag in hun stad willen, maar liever niet in de eigen buurt. In dit artikel kijken we, net als een eerdere keer, naar het vinden van een geschikte plek voor prostitutie. Alleen kijken we in dit artikel niet naar het vraagstuk van vandaag de dag, maar naar het vraagstuk in de jaren 70. Hoe vond Utrecht destijds een plek in de stad waar sekswerk kan plaatsvinden?
Hoe de gemeente Utrecht in de jaren 70 wel een plek vond voor prostitutie

Prostitutie is sinds mensenheugenis een ingewikkeld onderwerp. Opvattingen over de toelaatbaarheid van prostitutie zijn door de eeuwen heen veranderd. Van alle tijden is echter dat de meeste mensen niet zitten te wachten op (zichtbaar) sekswerk in de eigen buurt. Dit was in de jaren 70 niet anders.
‘De souteneurs laten automotoren soms wel een half uur stationair draaien’
De gemeente ontving klachten van Utrechters over prostitutie in hun buurt. Zo wordt in een brief aan toenmalig burgemeester Vonhoff geklaagd over de situatie in de Maliestraat. “De souteneurs [...] laten automotoren soms wel een half uur stationair draaien, gebruiken onze gevel als urinoir, doden ’s zomers de tijd met kratten pils, benutten de autoradio op volle sterkte, trekken – uit protest tegen onze bezwaren – nog eens met extra lawaai op, etc., etc.”
Tegelijkertijd waren de autoriteiten realistisch. In een politierapport uit 1970 lezen we dat prostitutie niet kan worden ‘geëlimineerd’. Het ingrijpen van de politie was er daarom op gericht de overlast te beperken en uitbreiding van prostitutie tegen te gaan.
De tolerante benadering zorgde er bovendien voor dat de politie inzicht kreeg in wat er gaande was, bood kansen voor resocialisatie, criminalisering kon worden tegengegaan en het zorgde ervoor dat prostituees ontvankelijk werden voor medische controles.
Om overlast tegen te gaan pleitte de politie ervoor de prostitutie te concentreren. Ook gingen er stemmen op om een nieuw prostitutiecentrum te realiseren dat een alternatief moest bieden voor de sekswerkers aan het Zandpad die in de decennia ervoor in aantal sterk waren toegenomen. Met de bouw van de nieuwe wijk Overvecht was het Zandpad immers minder geschikt geworden als locatie voor prostitutie.
Commissie op zoek naar geschikte locatie voor prostitutie
De ontwikkelingen waren voor het college van B&W reden om op 8 mei 1970 de werkgroep ‘prostitutiecentrum Zandpad’ in te stellen. De commissie moest onderzoeken of het mogelijk was de prostitutie “te lokaliseren”. Hierbij werden twee mogelijke locaties genoemd voor een nieuw prostitutiecentrum: het Zandpad en in de omgeving van Hopakker, Predikherenstraat en de van Asch van Wijckskade.
Deze locaties waren in beeld omdat hier al decennialang prostitutie plaatsvond. Om een toekomstig prostitutiecentrum in omgeving van Hopakker, Predikherenstraat en de van Asch van Wijckskade tot een succes te maken, werd het noodzakelijk geacht dit centrum voldoende ‘body’ te geven en prostitutie op een grotere schaal te laten plaatsvinden dan tot op heden het geval was.
‘Een invasie van een groot aantal prostituees is wel het laatste dat men accepteert’
Om dit mogelijk te maken, zouden 35 à 40 panden moeten worden opgekocht. Dit betekende dus ook dat 35 à 40 gezinnen zouden moeten verhuizen. Bovendien werd verwacht dat ook een deel van de andere bewoners in de wijk niet zou zitten te wachten op grootschalige prostitutie en daarom eveneens zou willen verhuizen.
Derde optie
Een derde optie, die de commissie bekeek, was het verplaatsen van de prostitutieboten aan het Zandpad naar ander vaarwater. De commissie zag hierin echter geen oplossing. Over verplaatsing van prostitutie naar andere woonwijken schrijft de commissie: “Een invasie van een betrekkelijk groot aantal prostituees is wel het laatste dat men algemeen accepteert. Men stoort zich aan het gedragspatroon van de prostituees, voelt zich onveilig door de aanwezigheid van de souteneurs, ergert zich aan de rondrijdende auto’s en de wijk krijgt prompt een bepaalde sfeer en naam.”
Volgens de commissie zijn andere rosse buurten in Nederland geleidelijk, soms over zeer lange tijd, ontstaan. In deze wijken heeft er selectie plaatsgevonden. Doordat mensen die niet van prostitutie gediend waren verhuisden. De overgebleven bevolking accepteerde de prostitutie. Een dergelijke buurt kent Utrecht niet volgens de commissie.
Als vierde mogelijkheid heeft de commissie gekeken naar de mogelijkheid de prostitutie te concentreren in een flat. Ook dit zag de commissie echter niet zitten nadat dit eerder al was geprobeerd in Hamburg. De zogeheten Erosflat in deze stad was geen succes gebleken, omdat deze formule niet aansloot bij de gewenste beleving van zowel de prostituee als de prostituee-bezoekers.
Zandpad
De enige optie die overbleef was de schepen aan het Zandpad te laten liggen. Dit is dan ook wat de commissie aanbeval. Wel zou er een scheiding moeten worden aangebracht met de wijk Overvecht door een dichte rand met struiken en bomen met watergang aan te leggen. Hierdoor kon voorkomen worden dat er “een ongewenste relatie tussen allerlei vormen van vrijetijdsbesteding enerzijds en het prostitutiebedrijf anderzijds” zou ontstaan.
Het college van B&W nam het advies over en besloot op 14 juli 1971 tot handhaving van het Zandpad en het niet ‘lokaliseren’ van prostitutie in de binnenstad. Het college gaf opdracht de werkgroep groenstrook Overvecht, die zich bezighield met de toekomst van het groen langs de Vecht, te informeren over het besluit.
Afdeling Overvecht Katholieke Volkspartij in verzet
In Overvecht zat echter niet iedereen te wachten op voortzetting van prostitutie in hun buurt. Er kwam met name verzet van de afdeling Overvecht van de Katholieke Volkspartij (KVP), een van de voorlopers van het CDA.
De partij zag liever dat de Vecht werd betrokken bij de groenstrook in plaats van dat het een plek voor prostitutie zou blijven. De partij kwam met een alternatief idee: het verplaatsen van de prostitutiezone naar het gebied ten zuidoosten van de Marnixbrug.
Het college van B&W vroeg de betrokken ambtenaren om advies over het voorstel van de KVP. De directeur openbare werken raadde het plan, met name om verkeerskundige redenen, af. Er werd een overleg gearrangeerd met vertegenwoordigers van de KVP, de werkgroep groenstrook, de politie en enkele ambtenaren. Van dit overleg is ook een verslag gemaakt.
Opvallend punt hieruit is dat de plannen van de gemeente om het Zandpad ook voor de toekomst in te richten voor prostitutie, nooit zijn besproken met de bewoners van Overvecht. De vertegenwoordiger van de KVP merkt tijdens het overleg op dit een omissie te vinden. Het overleg leidt wel tot resultaat: de partijen bedenken een compromis waarbij de prostitutieschepen en de verkeersafwikkeling op een andere manier worden ingepast. In 1973 besluit het college van B&W dit plan uit te voeren en het Zandpad ook voor de toekomst in te richten voor sekswerkers.
Waarom sekswerkers al jaren geen werkplekken hebben in Utrecht



