Nieuwe monumenten 1970-2000: Stadsvernieuwing aan de Vrouwjuttenhof

Vrouwjuttenhof in 1984
Vrouwjuttenhof in 1984 Het Utrechts Archief

In de jaren zestig werden veel bouwvallige panden in de binnenstad gesloopt ten behoeve van autowegen en grootschalige nieuwbouwprojecten. In afwachting hiervan dienden de braakliggende terreinen als parkeerplaats. Ondertussen veranderde de tijdgeest: de stadsvernieuwing van de jaren zeventig wilde zich juist aanpassen aan de kleinschaligheid van de oude stad. De verkeersplannen gingen niet door en de gaten werden gevuld met sociale woningbouw.

De stedenbouwkundige Jan Kuiper maakte in 1966 een vervolg op het beruchte verkeersplan Feuchtinger. Hij stelde een ingrijpende doorbraak voor in de zuidelijke binnenstad, van de Vrouwjuttenstraat naar het Nicolaaskerkhof. Het zou een nieuw tracé worden voor de Lange Nieuwstraat, die een autoweg moest worden. Daarom werd in 1970 het allegaartje aan panden gesloopt van de voormalige confectiefabriek De Vries & Susan, die gevestigd was in en achter de panden Oudegracht 350-360. Het achterterrein tussen de Eligenhof en Vrouwjuttenstraat omvatte ook bouwvallige woningen en een deel van de voormalige sigarenfabriek Ribbius Peletier.

Behalve voor de verkeersdoorbraak moest de bebouwing plaatsmaken voor een uitbreiding van de Willem Arntsz Stichting, die het terrein daarvoor had aangekocht. Het verkeersplan ging niet door, maar het nieuwe gebouw voor psychiatrische crisisopvang kwam er wel. Het massieve bouwwerk aan de Lange Nieuwstraat werd ontworpen door Sjoerd Wouda in een brutalistische stijl van ruw beton.

Ambachtelijke uitvoering

Het contrast kon niet groter zijn tussen het Wouda-gebouw en de woningen die daar in 1977 achter verrezen aan de Vrouwjuttenhof. Het verschil tussen de betonkolos met plat dak en de bakstenen huisjes met puntdaken laat zien dat het tijdperk van de grote ingrepen voorbij was. In plaats daarvan ontstond een invul- of inpassingsarchitectuur. Het politieke klimaat was veranderd onder invloed van bewonersparticipatie en protesten tegen megaprojecten als Hoog Catharijne. Ook werd de binnenstad aangewezen als beschermd stadsgezicht.

[caption id=”attachment_335112” align=”alignnone” width=”1024”] Vrouwjuttenhof met links het Wouda-gebouw in 1979 (Het Utrechts Archief)[/caption]

Andere stadsvernieuwingsprojecten in Utrecht en elders waren ook kleinschalig van opzet, maar modern van ontwerp en materiaal. Omdat het woningwetwoningen betrof was de afwerking vaak goedkoop. Maar de elf HAT-eenheden (tweekamerwoningen) en twaalf eengezinswoningen aan de Vrouwjuttenhof kregen een klassieke uitstraling en ambachtelijke afwerking. Er werden bijzondere materialen gebruikt: Belgische strengpersstenen in een speciaal formaat. De daklijst van de tuitgevels werd als een soort rollaag gemetseld van donkere baksteen. De daken dreigden eerst gedekt te worden met eternit-golfplaat, maar na een inzamelingsactie konden er dakpannen van slooppanden uit Rivierenwijk worden gebruikt. Andere elementen, zoals de betonnen bogen, voordeuren en aluminium schuiframen, verraden wel het bouwjaar 1977.

Restauratie-architecten

De verklaring voor de kwaliteit van de woningen ligt in de architectenkeuze die de gemeente als opdrachtgever maakte. Verantwoordelijk waren namelijk de restauratie-architecten Coen Temminck Groll (1925-2015) en Paulus van Vliet (1938).

Temminck Groll was een gerenommeerd architectuurhistoricus en hoogleraar restauratie-architectuur, betrokken bij vele restauraties van kerken en andere monumenten in de Utrechtse binnenstad. Geen voor de hand liggende keuze voor nieuwbouwwoningen, maar wel gezien de omgeving. De gemeente had namelijk ook de vier monumentale panden aan de Oudegracht overgenomen van de Willem Arntsz Stichting. Nadat eerst sloop was overwogen werden Temminck Groll en Van Vliet ingeschakeld voor restauratie. Ook in de grachtenpanden kwamen appartementen in de sociale sector, met aan de achterzijde een nieuwe entree.

De beide architecten ‘restaureerden’ als het ware ook het achterterrein door de geschakelde woningen aan de Vrouwjuttenhof volgens de oude verkaveling te plaatsen, verspringend in een zaagtandvorm. Reguliere architecten uit de naoorlogse jaren waren niet gewend om zo contextgevoelig te werk te gaan.

De woningen aan de Vrouwjuttenhof zijn mede vanwege hun ‘verborgen’ ligging enigszins in de vergetelheid geraakt. Onterecht, want de architecten wisten stadsvernieuwing hier mooi te combineren met historisch besef. Het complex is dan ook zeker een kanshebber om aangewezen te worden als gemeentelijk monument uit de periode na 1970.

Bettina van Santen, architectuurhistoricus bij de gemeente Utrecht die bezig is met de inventarisatie van mogelijke nieuwe monumenten: ‘Van de vele stadsvernieuwingsprojecten die destijds in Utrecht zijn gerealiseerd, is de Vrouwjuttenhof één van de meest geslaagde voorbeelden. Midden in de historische binnenstad ontwierpen de architecten een nieuwbouwcomplex dat helemaal op zijn plaats lijkt. De huizen met hun smalle gevels passen bijna als vanzelfsprekend op het binnenterrein tussen Oudegracht en Lange Nieuwstraat. Het woonprogramma is typerend voor de stadsvernieuwing (kleine woningen, sociale woningbouw) en toch oogt het als een reeks traditionele stadswoningen.’

Op aandringen van de bewoners gaat eigenaar Mitros dit jaar beginnen met renovatie en verduurzaming van de ruim veertig jaar oude woningen. Het is te hopen dat daarbij rekening gehouden wordt met de monumentale waarde en oorspronkelijke elementen zoals voordeuren behouden blijven.

In de serie ‘Nieuwe monumenten 1970-2000’ bespreekt Arjan den Boer gebouwen die eventueel in aanmerking komen als nieuwe gemeentelijke monumenten; ze zijn dat dus nog niet. De gemeente Utrecht rondt eind 2020 een inventarisatie af, waarna besluitvorming zal volgen.