Niet ver van De Gesloten Steen aan de Oudegracht staat een huis dat op het eerste gezicht niet zo imposant is, maar oorspronkelijk ver naar achteren doorliep. Het was een waar stadspaleisje met een zwierige trappenhal, rond 1870 gebouwd door Gerlacus Ribbius Peletier van de gelijknamige sigarenfabriek. Later was het kort NSB-hoofdkwartier en werd het omgevormd tot confectiefabriek. Van het rijke interieur rest nu alleen nog de onttakelde hal met trap. Zou die z’n allure terug kunnen krijgen?
Oudegracht 354: restant van luxueuze directeurswoning

Achter Oudegracht 354, aan de Eligenhof, staat een merkwaardig bouwsel uit 1977. Het vormt de entree voor de appartementen die toen in het grachtenpand en buurhuis werden gemaakt. Weinig doet vermoeden dat het bouwwerk een opmerkelijk restant bevat van de directeurswoning van de familie Ribbius Peletier. Het dient namelijk als omhulsel van de bijzondere trappenhal uit circa 1870, die niet los kon blijven staan omdat de aangrenzende gebouwdelen inmiddels waren afgebroken.
[caption id=”attachment_334538” align=”alignnone” width=”1024”]In de hal is de originele dubbele bordestrap nog aanwezig, omgeven door bogen met uitbundige stucdecoraties van kariatiden (dragende vrouwenfiguren uit de Griekse oudheid), krullen en bloemen. Ook rondom in de hal zijn zulke decoraties aangebracht, afgewisseld met gele vlakken die oorspronkelijk ‘gemarmerd’ waren. De hal is tegenwoordig een stuk minder imposant dan in de 19e eeuw, want er is een tussenvloer aangebracht. Ook hebben de ornamenten hun subtiliteit verloren door dikke witte verflagen. De trap is kaal, het marmer op de vloer gebarsten en de hal wordt gebruikt als fietsenstalling.
[caption id=”attachment_334509” align=”alignnone” width=”816”]De huidige staat is wat droevig vergeleken met een foto van de trap die rond 1910 genomen moet zijn. We zien vier meisjes met een boek, springtouw en ander speelgoed in de hal die is aangekleed met zware tapijten en sierlijk gekrulde lampen. Ook zijn er gedecoreerde trappenpalen, inmiddels vervangen door simpele varianten. De scène wordt van bovenaf verlicht door het daklicht dat toen nog de hal bekroonde.
[caption id=”attachment_334510” align=”alignnone” width=”710”]Wie waren deze meisjes? Het blijken geen leden van de familie Ribbius Peletier, maar dochters van de volgende eigenaar die hier in 1909 kwam wonen: Adriaan Lebret, gepromoveerd natuurkundige en vennoot van het elektrotechnisch ingenieursbureau Nicolai & Lebret aan het Domplein. Hij was getrouwd met Christina Tengbergen en zij hadden in 1909 vier dochters: Cornelia (Corrie, 11), Helena (Lena, 10), Elisabeth (Ellie, 7) en Johanna (Jojo, 4). Andere foto’s uit een familiealbum bevestigen dat zij de meisjes op de trap zijn.
[caption id=”attachment_334511” align=”alignnone” width=”1024”]Een drietal stenen die in 1977 aan de buitenmuur aan de Eligenhof zijn aangebracht geven kort samengevat de geschiedenis van het huis weer. In 1870 gebouwd door Gerlacus Ribbius Peletier, in 1909 gekocht door Adriaan Lebret en vervolgens in 1933 door Lambertus van Baaren (makelaar en kunstverzamelaar), die het pand verhuurde aan de NSB en daarna aan confectiefabriek De Vries & Susan. In 1972 werd het pand door de gemeente Utrecht gekocht en vijf jaar later gerestaureerd en verbouwd tot appartementen. Tegenwoordig is het (nog) eigendom van woningcorporatie Mitros.
Sigarenfabrikant
In 1844 begon Gerlacus Ribbius Peletier jr. samen met zijn broer Hendrik een tabakshandel en sigarenfabriek in Utrecht. De benodigde gebouwen aan de Oudegracht werden gefinancierd door hun vader, handelaar in koffie en tabak te Zaltbommel, waar de broers ook vandaan kwamen. Het pand Oudegracht 364 lieten zij ingrijpend verbouwen en uitbreiden; ze noemden het De Gesloten Steen naar de aloude zwerfkei op de hoek. Dit was de voorganger van het — veel bredere - huidige pand dat in 1908 gebouwd zou worden.
[caption id=”attachment_334536” align=”alignnone” width=”863”]Na enkele jaren haakte Hendrik af omdat zijn broer Gerlacus nogal overheersend was. Voortaan heette het bedrijf Koninklijke Tabak- en Sigarenfabriek G. Ribbius Peletier jr. De fabriek was namelijk zeer succesvol en werd hofleverancier. Er werkten uiteindelijk 300 arbeiders. De fabrieksgebouwen aan weerszijden van de Eligenstraat (nu Eligenhof) waren met elkaar verbonden door een gemetselde luchtbrug waarop het koninklijk wapen stond. Met de groei van zijn bedrijf kampte Ribbius Peletier in 1859 met een personeelstekort. Hij richtte toen met speciale toestemming een vrouwenafdeling op, destijds iets nieuws. Het was een min of meer sociaal project met aandacht voor het welzijn van de vrouwen en meisjes; zo kregen ze zang- en naailes. Tegelijkertijd heerste er een strak regime en waren de salarissen laag, wat in 1873 tot een staking leidde.
[caption id=”attachment_334513” align=”alignnone” width=”1024”]Oorspronkelijk woonde Ribbius Peletier in een woning boven de fabriek. Hij was getrouwd met Anna Elisabeth Voorthuis en ze hadden een zoon en drie dochters. In 1870 was het tijd voor een ruimere behuizing met allure. Gerlacus kocht het pand Oudegracht 354, een paar huizen terug, en liet het grotendeels afbreken. Alleen de van oorspong middeleeuwse zijmuren bleven staan. Hij bouwde er een diep huis dat aan de achterzijde veel breder was dan de gevel aan de gracht. Het bouwproject vergde maar liefst drie jaar.
Directeurswoning
De voorgevel is op de begane grond opgetrokken uit blokken hardsteen, de verdiepingen zijn gepleisterd. De drie vensters op de eerste etage hebben Franse balkons met balustrades. Bovenaan loopt de brede daklijst met vier consoles door om de hoeken. Hoewel de gevel imposanter is dan de buurhuizen, doet deze met krap 7 meter breedte nauwelijks vermoeden hoe groot het achterliggende huis oorspronkelijk was.
[caption id=”attachment_334514” align=”alignnone” width=”1024”]Op de begane grond waren een voor- en achterkamer en de grote keuken (uiteraard het domein van het huispersoneel). Achteraan in het brede gedeelte waren de en-suite salon en eetkamer, samen zo’n 100 vierkante meter. De verdieping telde een logeerkamer, een kinderkamer en vier ruime slaapkamers. In het midden lag de vestibule oftewel trappenhal: 8 meter breed, lang en hoog. Deze gaf direct toegang tot de meeste kamers. Op de verdieping was een omloop die via bogen met balustrades uitzag op de hal.
Het geheel was rijk gedecoreerd met gestucte figuren en een massieve zwartmarmeren schouw met spiegel, die het ruimtelijke effect versterkte. De grote ramen van het daklicht zorgden voor overvloedig licht. De hal had de allure van de lobby van een Grand Hotel in Franse Beaux arts-stijl en was daarmee uniek in Utrecht. Naar verluid werden er soms huisconcerten gegeven.
[caption id=”attachment_334515” align=”alignnone” width=”732”]De architect van het huis is onbekend — de bouwtekening is niet gesigneerd - maar wellicht was Gerlacus Ribbius Peletier zelf de ontwerper. Verrassend genoeg was de sigarenfabrikant namelijk opgeleid als architect: hij behaalde in 1843 het diploma bouwkunst aan de Haagsche Teeken-Academie. Kort voordat hij de sigarenfabriek begon had hij nog vergeefs gesolliciteerd als stadsarchitect van Maastricht. Ook had hij de bestekken voor de uitbreiding en verbouwing van het fabriekspand zelf getekend.
[caption id=”attachment_334516” align=”alignnone” width=”1024”]Wel is de vraag wie het rijke stucwerk in de hal heeft ontworpen en uitgevoerd (de ornamenten werden met mallen gegoten van gips of kalk). Uit bewaarde tekeningen uit zijn studietijd blijkt dat Gerlacus oog had voor detail, maar dat betrof eenvoudiger classicistische ornamenten die toen nog in de mode waren. De veel zwieriger decoraties in het nieuwe woonhuis zijn waarschijnlijk niet door hem ontworpen. Het kan zijn dat de kariatiden en krullen standaardmodellen waren. Mogelijke kandidaten voor de uitvoering van het stucwerk zijn de firma’s Schütz en Martin, beide uit Zeist.
[caption id=”attachment_334517” align=”alignnone” width=”768”]Opvolging en verkoop
De gelijknamige zoon van Gerlacus Ribbius Peletier, Gerlach genoemd, was de beoogde opvolger als directeur van de tabaksfabriek. Om zich voor te bereiden studeerde hij aan de Handelsschule in Leipzig. In 1896 werd het bedrijf echter een NV met diverse aandeelhouders; aan de bedrijfsnaam werd ‘voorheen’ toegevoegd. Het is niet zeker waarom Gerlach zijn vader niet opvolgde; wel bekend is dat hij ziekelijk was, vaak in kuuroorden verbleef en veel reisde, waarover hij dagboeken bijhield. Het lijkt erop dat Gerlach leed onder de druk van zijn veeleisende vader. Na diens dood in 1901 beheerde hij het aanzienlijke familiekapitaal. Gerlach liet voor zijn gezin een groot nieuw huis bouwen aan de Maliebaan 15 en bracht veel tijd door op landgoed Linschoten dat zijn vader in 1891 had gekocht.
[caption id=”attachment_334518” align=”alignnone” width=”891”]De tabaksfabriek kreeg in 1908 een nieuw gebouw, De Gesloten Steen zoals het er nu nog staat. Het woonhuis aan de Oudegracht 354 werd een jaar later verkocht aan de eerdergenoemde Adriaan Lebret, die er tot 1933 bleef wonen. In dat jaar werd het pand gekocht door overbuurman Lambertus van Baaren. Deze zou — samen met zijn zus — bekend worden als kunstverzamelaar, maar was werkzaam als vastgoedmakelaar en -investeerder. Hij deed het pand in de verhuur en de eerste huurder was nota bene de NSB van Anton Mussert. De eerdere vestiging van deze fascistische partij aan de Oudegracht 35 was te klein geworden. Het nieuwe onderkomen met ‘royale hal met de breed-opgaande trappen’ was volgens de NSB-krant Volk en Vaderland ‘zeer ruim en voor ons doel uitnemend geschikt’. Toen de ‘beweging’ verder groeide vertrok deze in 1936 naar de Maliebaan 35.
[caption id=”attachment_334519” align=”alignnone” width=”1024”]Confectiefabriek
In 1938 vestigde de confectiefabriek De Vries & Susan zich in vier panden aan de Oudegracht, met de voormalige directeurswoning als hoofdgebouw. Dit bedrijf had fabrieken door het hele land, in Utrecht eerder aan de Waterstraat en Korte Viestraat. Het interieur van Oudegracht 354 werd min of meer gestript. De ooit zo imposante hal kreeg een tussenvloer en er werd een verdieping bovenop het huis gebouwd als magazijn; sindsdien heeft het een plat dak.
[caption id=”attachment_334520” align=”alignnone” width=”1024”]Er werd jongens- en herenkleding gemaakt aan lopende banden in grote naaiateliers. Henny van Dijk werkte in 1941 als receptioniste bij De Vries & Susan en herinnerde zich in 1997: ‘De meisjes stikten de onderdelen aan elkaar, de hele dag door twee dezelfde delen op dezelfde plaats. De jongens persten de naden plat met grote zware strijkbouten. Aan het eind van de band werden de knopen aangezet. Er was een speciale broekenband.’ In de oorlog werd er een Duitse ‘Verwalter’ aangesteld in het deels joodse bedrijf. Sommige personeelsleden werden gedeporteerd.
[caption id=”attachment_334521” align=”alignnone” width=”1024”]Verval en restauratie
De confectiefabriek was tot ongeveer 1970 aan de Oudegracht gevestigd. Toen kocht de Willem Arntsz Stichting de rij panden, inclusief De Gesloten Steen. De instelling voor geestelijke gezondheidszorg had uitbreidingsplannen, die samenvielen met het verkeersplan Kuiper. Daarin was een autoweg gepland door de zuidelijke binnenstad met een doorbraak van de Vrouwjuttenstraat naar het Nicolaaskerkhof. De bebouwing was al gesloopt maar door veranderende inzichten ging de verkeersweg niet door. Het nieuwe psychiatrische crisiscentrum verrees daarom op de open plek langs de Lange Nieuwstraat: het zogenaamde Wouda-gebouw. In De Gesloten Steen kwam de psychiatrische dagbehandeling, maar voor de grachtenpanden van De Vries & Susan had de Willem Arntsz Stichting geen bestemming. Ze werden aan de gemeente verkocht.
[caption id=”attachment_334522” align=”alignnone” width=”1024”]In 1972 maakte het Bureau voor Restauratie Temminck Groll Van Vliet Architecten een plan voor de grachtenpanden, maar dat werd nog niet uitgevoerd. Het schijnt dat tijdens deze jaren van leegstand originele elementen zoals spiegels in de hal zijn vernield of geplunderd. In 1975 neigde de verantwoordelijke wethouder naar sloop en nieuwbouw. Na protestacties van de Werkgroep Oudegracht Zuid met als motto ‘We hebben nu geen moment meer te verliezen’ kon de restauratie in 1976 beginnen. Oudegracht 354, waarvan het brede achterhuis al was gesloopt en afgetimmerd, werd bestemd tot vier appartementen in de sociale sector. Op het achterterrein verrees de Vrouwjuttenhof, een woningbouwproject in passende stijl, eveneens ontworpen door Coen Temminck Groll en Paulus van Vliet (meer hierover in de DUIC Krant van 1 februari).
[caption id=”attachment_334523” align=”alignnone” width=”1024”]De bouwvallige en afgetimmerde staat van de trappenhal verklaart de noodzaak van het omhulsel dat Temminck Groll en Van Vliet aan de Eligenhof ontwierpen en dat als entree voor de appartementen dient. Het is met z’n oranje bakstenen, rondbogen, speelse openingen en houten delen typisch voor de jaren zeventig. Het bouwwerk sluit aan bij de woningen aan de Vrouwjuttenhof die misschien gekandideerd zullen worden als nieuw gemeentelijk monument; ze zijn namelijk kenmerkend voor de kleinschalige stadsvernieuwing die een reactie was op de doorbraken van de jaren zestig.
[caption id=”attachment_334524” align=”alignnone” width=”1024”]Het bijzondere interieur van de hal bleef deels behouden maar niet in optimale staat. In 1977 heeft men de tussenvloer laten zitten omdat verwijdering het stucwerk zou kunnen beschadigen. Op de verdieping kwam een kunstenaarsatelier, de enige ruimte waar de imposante trap nu nog heen leidt (de appartementen hebben een interne opgang). Dit atelier wordt echter weinig gebruikt en lijkt vooral als opslag te dienen. De vervlakte ornamenten, de kale trap, de ongemarmerde wandvlakken en de gebarsten marmeren vloer zouden een minutieuze restauratie kunnen gebruiken. In combinatie met zorgvuldige verwijdering van de tussenvloer en herstel van het daklicht zou de oude allure hersteld kunnen worden. Dit heeft alleen zin als de hal een betere bestemming krijgt en er een aparte fietsenstalling komt.
[caption id=”attachment_334525” align=”alignnone” width=”1024”]Het is niet realistisch dat Mitros — via Woningbedrijf Utrecht eigenaar geworden — geld heeft voor zo’n restauratie. De woningcorporatie wil de grachtenpanden zelfs verkopen, zoals met meer sociale woningbouw in de binnenstad gebeurt. De bewoners maken hier terecht bezwaar tegen; wonen in binnenstad moet voor alle inkomens mogelijk blijven. Een eventuele commerciële investeerder zal vooral geïnteresseerd zijn in huurrendement. Het beste zou zijn als het pand wordt overdragen aan het Utrechts Monumentenfonds of Stadsherstel Utrecht, instellingen die er wél in slagen liefde voor monumenten te combineren met (deels) sociale verhuur. Zij zouden misschien ook fondsen en subsidies kunnen aanboren om een restauratie van de unieke hal mogelijk te maken.
* Foto’s beschikbaar gesteld door Stichting G. Ribbius Peletier Jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten



