Vandaag heeft een kraan torenspitsen geplaatst op de twee torentjes van het Hooghiemstragebouw bij de Wittevrouwensingel. Dit pakhuis van veevoederfabriek Hooghiemstra werd in 1912 gebouwd in de stijl van de Chateaux de l’Industrie. Al in 1916 verdwenen de torenspitsen. Honderd jaar later vormen de spitsen de bekroning van de herwaardering van dit industrieel erfgoed. In de jaren 80 dreigde het pakhuis nog gesloopt te worden, maar tegenwoordig is het deel van een succesvol bedrijvencentrum.
Hooghiemstra: industriekasteel heeft z’n torentjes terug

[caption id=”attachment_424080” align=”alignnone” width=”1024”] Plaatsing van de tweede torenspits, 19 november (foto Arjan den Boer)[/caption]
In 1865 vestigde de voormalige schipper Jurjen Sjoerd Hooghiemstra zich in een schuur aan de ‘hooikade’ (Wittevrouwensingel) met zijn handel in hooi en stro. Een klein pakhuis uit 1872 staat nog steeds in een hoek van het Hooghiemstraplein met het opschrift “Voor hooi en stro enz. bellen”. De zoons van Hooghiemstra begonnen een voermaalderij waarvoor in 1885 een stoommachine werd besteld. Het bedrijf ging veevoederkoeken produceren met als restproduct lijnolie.
[caption id=”attachment_424081” align=”alignnone” width=”1024”] Villa Welgelegen als paardenstal, ca. 1915 (Het Utrechts Archief)[/caption]
Het complex werd uitgebreid met de Villa Welgelegen op de hoek van de Wittevrouwensingel en Biltsche Grift. In de grote tuin van dit landhuis zouden de pakhuizen verrijzen die er nu nog staan. De voormalige villa werd omgebouwd tot een stal voor de 80 paarden — verdeeld over twee verdiepingen — die nodig waren voor het transport van grondstoffen en producten. Een merkwaardige herbestemming!
Architectuur
Tegen een kleiner pakhuis uit 1908 liet Hooghiemstra in 1912 een nieuw pakhuis van zes verdiepingen ontwerpen door J.M. Kuiler. Deze Utrechtse architect had enkele jaren eerder de sigarenfabriek Ribbius Peletier aan de Oudegracht vernieuwd en zou in 1913 de Palace-bioscoop aan het Vredenburg ontwerpen.
[caption id=”attachment_424082” align=”alignnone” width=”686”] Nieuwe pakhuis, 1913 uit: Utrechtsch Nijverheid en Handel (Het Utrechts Archief)[/caption]
Voor Hooghiemstra koos Kuiler voor een bouwstijl die Chateaux de l’Industrie wordt genoemd: fabrieksgebouwen met kenmerken van kastelen, zoals torentjes of kantelen. Deze stijl werd eind 19e eeuw populair in België en Noord-Frankrijk. Eerder lieten de rijke fabrikanten hun villa’s al van romantische decoraties voorzien. Waarom dan ook niet de fabrieksgebouwen ‘opleuken’ of meer allure geven?
Eigenlijk kwamen in zo’n industriekasteel twee tegenstrijdige ontwikkelingen samen: de industriële vooruitgang en het romantische terugverlangen naar de middeleeuwen. In Nederland zijn maar weinig gebouwen in deze stijl bewaard, waarvan de meeste in de Zaanstreek. Voor Utrecht is Hooghiemstra met z’n twee kasteelachtige hoektorentjes dan ook uniek.
[caption id=”attachment_424083” align=”alignnone” width=”1024”] Pakhuis 1912 en 1908 in 1915 (Het Utrechts Archief)[/caption]
Inspirerend
De industriekastelen zijn natuurlijk een product van hun tijd en kunnen met enig recht ‘kitsch’ genoemd worden. Toch kan liefdevolle aandacht voor het uiterlijk van fabrieken wat mij betreft als voorbeeld dienen voor hedendaagse bedrijven. Tegenwoordig worden bedrijfspanden vaak zonder oog zonder voor detail uit puur functionele overwegingen opgetrokken uit standaard bouwmaterialen. Een wandeling over een bedrijventerrein is dan ook weinig inspirerend, en het uitzicht langs snelwegen soms sombermakend. Moeten we daar de komende eeuw tegenaan kijken? Waarom zijn bedrijven niet meer bereid te investeren in een aantrekkelijke omgeving, terwijl ze dat 100 jaar geleden wel deden? Gelukkig zijn er uitzonderingen, zoals de zeer eigentijdse maar elegante Beemster kaasfabriek.
Uitbreidingen
In 1913 stond het nieuwe pakhuis van Hooghiemstra er fraai bij met de trotse torenspitsen van Kuiler. Als snel moesten ze echter wijken wegens bedrijfsgroei. Het pakhuis werd in 1916 met twee verdiepingen verhoogd. De torentjes werden wel opgemetseld tot de nieuwe hoogte, maar de spitsen en kantelen keerden niet terug. Het naastgelegen pakhuis uit 1908 werd een paar jaar later ook verhoogd zodat beide pakhuizen samen haast één geheel lijken te vormen.
[caption id=”attachment_424084” align=”alignnone” width=”1009”] Hooghiemstra’s Vlugkokende Havermout, 1942 (foto N. Jesse/HUA)[/caption]
De zaken gingen goed: behalve veevoer produceerde Hooghiemstra na de Eerste Wereldoorlog ook havermout voor menselijke consumptie. Hiervan werd Hooghiemstra een van de grootste producenten van het land. Ook ging het bedrijf vanaf 1923 landbouwartikelen verkopen in een mooi nieuw pand aan de Wittevrouwensingel 99 (nu Urbanizer Aannemers & Architecten). De crisis in de jaren 30 ging echter niet onopgemerkt aan Hooghiemstra voorbij.
Etikettenfabriek
Na de Tweede Wereldoorlog werd Hooghiemstra overgenomen door de Stichtse Olie- en Lijnkoekenfabriek, die aan het Merwedekanaal was gevestigd. In 1955 werd het bedrijf aan de Wittevrouwensingel gesloten en verkocht aan etikettenbedrijf Avery. De panden op het achterterrein werden toen gesloopt en vervangen door een nieuw functionalistisch gebouw van acht verdiepingen, dat nu het grootste deel van Bedrijvencentrum Hooghiemstra uitmaakt.
[caption id=”attachment_424085” align=”alignnone” width=”1024”] Pakhuizen 1912, 1908 en Avery-vleugel 1955 (foto Arjan den Boer)[/caption]
Kraakpand en sloopplannen
In 1972 kocht de gemeente Utrecht het complex vanwege de aanleg van een nieuwe noordelijke rondweg; Avery verkaste naar Overvecht. Toen de weg niet doorging volgde leegstand en uiteindelijk werden de panden gekraakt. De Fabriek, zoals het complex toen heette, werd een bolwerk van muzikanten, kunstenaars en krakers waar ook houseparties werden gehouden. Het was een levendig geheel, maar de staat van het gebouw was slecht.
In 1985 ontstond het plan voor een verzamelgebouw voor startende bedrijven, destijds een nieuw concept. Onderzoek wees uit dat dit alleen haalbaar was voor de Avery-fabriek, en niet voor het oude Hooghiemstra-pakhuis. Het gemeentebestuur besloot dan ook het pakhuis te slopen.
De Werkgroep Industriële Archeologie Utrecht (voorloper van USINE) verzette zich tegen de voorgenomen sloop. In de jaren 80 was waardering voor industrieel erfgoed nog niet vanzelfsprekend, sloop was de gangbare oplossing. Toch wist de werkgroep de gemeenteraad van het historische belang te overtuigen — een keerpunt in de omgang met oude fabrieken in Utrecht. Een aanvraag tot rijksmonument haalde het niet, maar het pand werd wel een gemeentelijk monument. Hooghiemstra kreeg een nieuwe toekomst.
[caption id=”attachment_424087” align=”alignnone” width=”1024”] Startup in het oude gedeelte van bedrijvencentrum Hooghiemstra (foto Arjan den Boer)[/caption]
Bedrijvenbroedplaats
Het complex werd inclusief pakhuis voor 1 gulden verkocht aan de Stichting Wittevrouwen Bolwerk, die 3,5 miljoen subsidie meekreeg voor renovatie. In 1990 werd het complex als bedrijfsverzamelgebouw in gebruik genomen. Tegenwoordig zijn er zo’n 80 ondernemingen en kunstenaarsateliers gevestigd. Uit het succes van Hooghiemstra kwam Bedrijvencentra Utrecht (inclusief Vondelparc en Rudolf Magnus) voort. Hooghiemstra heeft dus een hoofdrol gespeeld in de herbestemming van industrieel erfgoed én het ontstaan van bedrijvenbroedplaatsen in Utrecht.
[caption id=”attachment_424088” align=”alignnone” width=”1024”] Torentje en uitzicht (foto Arjan den Boer)[/caption]
De teruggeplaatste torenspitsen vormen de bekroning van diverse opknapbeurten. Vanuit restauratie-oogpunt zijn er wel vraagtekens bij te plaatsen: moet je iets dat al een eeuw weg is wel reconstrueren? Ook zijn de spitsen helaas niet zo spits als de originelen ooit waren. Het is welbeschouwd een lichte vorm van geschiedvervalsing. Toch is de plaatsing wat mij betreft een goede zet: het versterkt het karakter van het pand als industriekasteel en vestigt nog eens nadrukkelijk aandacht op de rijke historie van deze plek.



