Verdwenen horeca: Châlet Den Hommel aan de Leidseweg

Den Hommel rond 1930
Den Hommel rond 1930

Behalve bij cafe’s en restaurants in de stad, konden Utrechters terecht bij uitspanningen in de groene omgeving. Theehuis Rhijnauwen is daarvan het bekendste voorbeeld, maar ook hotel-restaurant Den Hommel was erg geliefd. Beide lagen in een buurgemeente, maar waren eigendom van de stad Utrecht.

Dit is een herpublicatie van de serie Verdwenen horeca in Utrecht. Krijg je geen genoeg van deze verhalen over de Utrechtse horeca? Deze artikelen en meer worden gebundeld in een boek. Mooi als cadeau, of voor op de koffietafel. Steun dit project door het boek nu te bestellen.

Sinds de 17e eeuw stond er een herberg op het landgoed Welgelegen, ten westen van de stad langs de Leidse Rijn (of Oude Rijn). Het etablissement werd ‘t Hommeltje genoemd en later de Kleine Hommel. Rond 1890 is de oude herberg vervangen of ingrijpend verbouwd in de voor villa’s populaire chalet-stijl. Kenmerkend waren overstekende daken, dakkapellen, balustrades en overvloedig houtgebruik, hoewel de muren van gepleisterde baksteen waren. Opvallend was het verhoogde en uitstekende middendeel. Langs de zijgevel stond een grote serre.

[caption id=”attachment_365548” align=”alignnone” width=”1024”] Den Hommel rond 1935 (Het Utrechts Archief)[/caption]

Drankvergunning

Vanwege de aanleg van Oog in Al kocht de gemeente Utrecht in 1920 het landgoed Welgelegen. Hotel-Café Den Hommel — zoals de zaak inmiddels heette — werd zo eigendom van de stad. Het lag toen nog in een buurgemeente: Oudenrijn, pas in 1954 bij Utrecht gevoegd. Zo kon het gebeuren dat de gemeenteraad in 1923 discussieerde over de consumptieprijzen in een andere gemeente. De stad verpachtte Den Hommel namelijk aan een uitbater. In de gemeenteraad was discussie of die wel een drankvergunning moest krijgen, want men had besloten Oog in Al ‘droog te leggen’ (geen drankvergunningen af te geven). Den Hommel viel echter onder Oudenrijn en kon blijven schenken! Behalve over deze schijnheiligheid vielen enkele raadsleden over de hoge prijzen die uitbater Van den Burg rekende. Spuitwater en melk kostten 20 cent; koffie, thee en cacao zelfs een kwartje. Besloten werd dat bij verlenging van de pacht de gemeente de prijzen moest goedkeuren.

De volgende gérant kon de drankvergunning goed gebruiken. Roelof Reuhl (1886-1940) had namelijk gewerkt bij het American Hotel Amsterdam, zoals hij in advertenties vermeldde. ‘American drinks! Vruchten gobbler, Sherry gobbler, Martini cocktail, Manhattan cocktail.’ Verder prees hij Den Hommel aan als ‘Gezelligste buitengelegenheid voor Utrecht, uitgestrekt tuinterras’. Behalve te voet of fietsend was de zaak met de bus bereikbaar, op ‘7 minuten lopen vanaf eindpunt lijn 4’. Een andere optie was over het water. Reuhl liet namelijk een halfopen motorboot varen over de Leidse Rijn. Die vertrok in de stad bij de Willemsbrug op elk heel middaguur en ‘s zondags om het halve uur. ‘Retour met inbegrip van consumptie 35 cent.’ Het was een populair uitje in combinatie met kersenplukken in de omliggende boomgaarden, die daarvoor tegen betaling toegankelijk waren.

[caption id=”attachment_365547” align=”alignnone” width=”1024”] Motorboot Utrecht-De Hommel, circa 1925 (Het Utrechts Archief)[/caption]

Zwarte dag

Oorspronkelijk rustig gelegen in het groen, nam het autoverkeer snel toe. De doorgaande weg langs de Rijn richting Leiden werd een Rijksweg. Ook de drukte op de Hommelbrug groeide en de schilderachtige boogbrug werd in 1933 vervangen door een grotere, onderdeel van de toekomstige westelijke rondweg. Rondom Den Hommel verrees bebouwing zoals het Militair Hospitaal en rusthuis De Wartburg. Al dat verkeer bracht klandizie; Den Hommel adverteerde als ‘Pleisterplaats voor den automobilist’. Vandaar dat een krant in 1956 scheef over ‘een zwarte dag’ voor Den Hommel: ‘Alle verkeer, dat er jaren- en jarenlang voorbij ging, is met ingang van vandaag omgeleid naar de nieuwe weg, genaamd: Weg der Verenigde Naties.’

Misschien lag het aan teruglopende klandizie, of aan weduwe Johanna Reuhl-Priem die de zaak voortzette, maar Den Hommel verloor aan glans. Burgemeester Coen de Ranitz vond in 1957 dat het ‘met wat goede wil toch best een modern aantrekkingspunt zou kunnen worden, óók voor de vreemdelingen?’ Hoewel het achterstallig onderhoud aan de gemeente lag, twijfelde hij kennelijk aan Johanna’s inzet: ‘Het theehuis Rhijnauwen heeft echt niet zijn faam cadeau gekregen.’

In 1960 verkocht de gemeente Den Hommel aan Albertus Bloem. Die deed daarvoor zijn café-restaurant Cambridge (voorheen Witjens) aan het Vredenburg van de hand. De deal ging bijna niet door: toen de gemeenteraad deze moest bekrachtigen, had de koper al een steiger tegen het pand geplaatst, tot irritatie van de raadsleden. ‘Ik wil er hét zakenrestaurant van Utrecht van maken met een oud, sfeervol interieur. Daar is tijd voor nodig en ik heb al zoveel tijd verloren. Vandaar dat we met de aankoop voor de deur al begonnen zijn.’ Bloem liet de hele oude inboedel veilen: ‘Tafels, tapijten, oud-Hollandse stoelen, wandborden, lopers, 2 piano’s, glaswerk, serviesgoed, stalen terrasstoelen, ledikanten, schemerlampen, koksfornuis, koffiezetmachine, kachels enz. enz.’ Begin 1961 opende het vernieuwde Restaurant Châlet Den Hommel met 220 zitplaatsen.

De latere uitbater A.J. van Dijk besloot in 1983 om Den Hommel te slopen voor de bouw van een Ibis-hotel. Er kwam protest van een bewonerscomité, dat de Monumentencommisie om steun vroeg. Die vond het pand echter van ‘onvoldoende monumentaal belang’. Terwijl eind 1984 de inventaris inclusief ‘zeer goede wijnen’ onder de hamer kwam, trof de sloopkogel het chalet. Het nieuwe standaardhotel heette nog enige tijd Hotel Ibis Den Hommel. Sinds 2019 toont een muurschildering er de oude Hommelbrug. Verderop herinnert de naam van het zwembad nog aan de geliefde uitspanning.


Ken jij de verhalen achter de Utrechtse horeca uit de 20e eeuw? Arjan den Boer en Ton van den Berg maken samen een boek over de verdwenen horeca uit deze periode en hebben daarbij jouw hulp nodig! Lees hier meer en bestel alvast een boek.