Utrechters onder de 35 jaar kregen het in 2024 nog lastiger op de Utrechtse woningmarkt. Zij besteden een steeds groter deel van hun inkomen aan woonlasten en het werd nog moeilijker om een huurwoning te bemachtigen. Voor 65-plussers is de situatie in 2024 juist licht verbeterd. Dit blijkt allemaal uit de ‘Rapportage wonen in Utrecht 2024’, die de gemeente heeft gepubliceerd.
Jongeren in Utrecht hebben het nog moeilijker op de woningmarkt

Een belangrijk cijfer in deze rapportage is de woonquote. Dit getal geeft aan welk deel van het inkomen mensen kwijt zijn aan woonlasten. Naast de hoogte van de huur of hypotheek, worden hierbij ook belastingen, hypotheekrenteaftrek, huursubsidie en kosten voor stroom, verwarming en water meegenomen.
De woonquote is het hoogst én het sterkst gestegen bij huishoudens tot 35 jaar en was in 2024 bijna 41 procent. Gemiddeld gaven deze huishoudens 1.137 euro per maand uit aan woonlasten. Ter vergelijking: bij 65-plussers is de woonquote gedaald naar 26 procent, met een gemiddelde maandelijkse woonlast van 798 euro. Ouderen zijn relatief minder kwijt aan wonen doordat zij hun koopwoning (deels) hebben afgelost en minder vaak in de dure particuliere huursector wonen.
Niet alleen zijn de kosten hoog, het wordt ook steeds moeilijker voor jongeren om überhaupt een woning te vinden.
Minder en duurder particuliere huur
Zo zijn veel jongeren aangewezen op particuliere huur, maar het aanbod in deze sector slonk. Het aandeel middenhuurwoningen in Utrecht daalde van 16 procent in 2023 naar 14 procent in 2024. Dit komt mede doordat verhuurders hun woningen verkopen, omdat nieuwe overheidsregels verhuren minder aantrekkelijk maken.
Diegene die ondanks de schaarste een particulieren middenhuurwoning weten te vinden betaalden in 2024 gemiddeld 1.094 euro huur per maand.
Kans op sociale huur woning een à twee procent
Ook het bemachtigen van een sociale huurwoning is moeilijker geworden. Gemiddeld waren er in 2024 671 reacties per sociale huurwoning. De slaagkans daalde van 4 procent naar 3 procent. Dit percentage geeft aan welk percentage van de woningzoekenden die gereageerd hebben op sociale huurwoningen, ook daadwerkelijk een woning hebben gekregen. Alleen bij 65-plussers steeg de slaagkans licht naar 18 procent, mede doordat zij vaak langer staan ingeschreven en het aantal seniorencomplexen toeneemt. Voor jongeren van 23 jaar en jonger blijft de slaagkans extreem laag: de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning is inmiddels 11,6 jaar, een inschrijftijd die jongeren logischerwijs niet hebben. Hun slaagkans is daardoor slechts 1 procent. Jongeren tussen 23 en 35 jaar hebben een slaagkans van 2 procent. Om jongeren toch een kans te geven, werden ruim 200 sociale huurwoningen verloot, maar ook hier is de kans klein: in 2024 waren er gemiddeld ruim 2.500 reacties per woning, fors meer dan in 2020 (700) en 2023 (1.900).
Koopmarkt: starters iets vaker succesvol, maar betaalbaarheid neemt af
Op de koopmarkt slagen starters iets vaker dan voorheen: het aantal transacties door starters steeg van 2.430 in 2022 naar 3.260 in 2024. Dit komt vermoedelijk doordat particuliere investeerders minder actief zijn en jongeren dus minder concurrentie hebben. Ook wachten jongeren mogelijk langer met kopen, waardoor zij meer kunnen sparen en een hoger inkomen hebben. Starters financieren hun woning bovendien vaker (deels) met een schenking.
Want een goed salaris of een flinke schenking is met de huidige huizenprijzen bijna een voorwaarde om een huis te kunnen kopen. Koopwoningen werden opnieuw duurder. In 2024 was slechts 9 procent van de woningen een betaalbare koopwoning, tegenover 19 procent in 2019. De gemiddelde verkoopprijs lag eind 2024 ruim boven de 500.000 euro.



