Mensen met vitaal beroep krijgen dit jaar geen voorrang meer op de Utrechtse woningmarkt

Afbeelding

Onder meer leraren, agenten en verpleegkundigen krijgen dit jaar geen voorrang meer op de Utrechtse woningmarkt. De gemeente ziet zich genoodzaakt de regeling tijdelijk stop te zetten omdat het geld op is en omdat er te weinig woningen zijn.

In 2022 besloot een meerderheid van de gemeenteraad om mensen met een vitaal beroep voorrang te geven op de woningmarkt. Het gaat dan om bepaalde functies bij de politie, in de zorg, in het onderwijs, in de kinderopvang en bij de vrijwillige brandweer. Het idee was dat hiermee het tekort aan arbeidsplaatsen bij deze banen wordt verkleind.

WoningNet

“Om de regeling uit te kunnen voeren hebben we WoningNet gecontracteerd”, schrijft het college in een brief aan de raad. “WoningNet toetst de aanvragen van mensen met een vitaal beroep aan de daarvoor geldende voorwaarden. Een aanvraag doen is voor de aanvrager gratis, de kosten hiervoor worden door de gemeente gedragen.”

Er is per jaar echter geld opzij gezet voor maximaal 460 aanvragen en in de eerste drie maanden van dit jaar stond de teller al op 450. Omdat de 460e aanvraag waarschijnlijk al voor de zomer wordt gedaan, heeft de gemeente besloten de regeling voor de rest van het jaar stop te zetten. “Wij hebben dit besluit moeten nemen om een, zeker in deze tijd van financiële krapte, ongewenste budgetoverschrijding te voorkomen.”’

Tekort

Daar komt bij dat het aanbod op de woningmarkt beperkt is. “Wanneer we de regeling niet stopzetten en het aantal aanvragen verder stijgt, groeit de concurrentie om schaarse woningen en wordt het voor de mensen die voorrang hebben steeds lastiger om een (passende) woning te vinden.”

De gemeente schrijft tot slot dat het stopzetten van de regeling ertoe kan leiden dat mensen met vitale beroepen mogelijk minder makkelijk een woning kunnen vinden in Utrecht, waardoor zij op een andere plek gaan wonen en werken. “Als deze situatie zich voordoet dan heeft dit een negatief effect op het tekort aan vitale beroepen in de stad.”