Meer dan de helft van de Utrechtse jongeren ervaart regelmatig druk, een percentage dat beduidend hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Bovendien beoordeelt slechts de helft van de Utrechtse jongvolwassenen hun eigen mentale gezondheid als goed. In de serie ‘Generatie Druk’ van HUB Utrecht wordt iedere aflevering een ander aspect van de druk op de Utrechtse jeugd belicht.
Een ‘lijntje coke’ of een ‘likje M’: Hoe normaal zijn drugs onder Utrechtse studenten?

Voor deze aflevering in de reeks is samengewerkt met DUB, de onafhankelijke nieuws- en opiniesite van de universitaire gemeenschap in Utrecht.
Dat drugs alom aanwezig zijn in Utrecht, zal niemand zijn ontgaan. En dat ook de Utrechtse student zich weleens aan een pilletje of lijntje waagt, ook niet. Maar hoe groot is het middelengebruik onder studenten eigenlijk? En is er sprake van een probleem of heeft de normalisering toegeslagen?
Volgens de ‘Monitor mentale gezondheid en middelengebruik studenten hbo en wo 2025’ van het RIVM en Trimbos is het gebruik van de meeste middelen in de periode 2021-2025 redelijk stabiel, na een daling tussen 2021 en 2023. Volgens de Volksgezondheidsmonitor van de gemeente Utrecht gaf 16% van de Utrechtse jongvolwassenen (16 t/m 25 jaar) in het voorjaar van 2024 (april tot en met juli) aan in de laatste vier weken harddrugs te hebben gebruikt. Dit is meer dan anderhalf keer zo hoog als het gemiddelde van 9% in Nederland, maar vergelijkbaar met het gebruik in de meeste studentensteden.
Cannabis, XTC en de designerdrugs 3-MMC of 4-MMC zijn volgens de cijfers de meest gebruikte middelen in Utrecht: 19% van de Utrechtse jongvolwassenen gebruikte cannabis in de laatste vier weken voor het onderzoek en 8% gebruikte XTC. Het gebruik van 3-MMC en 4-MMC steeg van 3% in 2021 naar 8% in 2024, terwijl het cocaïnegebruik in dezelfde periode juist afnam. Uit het onderzoek blijkt verder dat jongvolwassenen die samen met leeftijdsgenoten wonen, vaker drugs gebruiken dan anderen.
Sophie Smeets zit in het bestuur van Stichting Waar Trek Jij de Lijn. De stichting, in 2021 opgericht door onder meer Utrechtse studenten Charlotte Stikkelbroeck en Valerie Lhoëst, organiseert jaarlijks meerdere symposia in verschillende steden waarin studenten bewust worden gemaakt van de ingrijpende sociale, persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van excessief middelengebruik.
‘Ik zie dat het normaal aan het worden is’
Tijdens de symposia wordt het beeld van de normalisering sterk bevestigd. Sophie vertelt over een peiling die tijdens de symposia onder studenten wordt gedaan. “Er zitten dan zo’n 300 studenten in de zaal en die vullen allerlei vragen in. Op de vraag: ‘Wanneer is de laatste keer dat je drugs hebt gebruikt?’, schiet de peiler met ‘In de afgelopen twee weken’ enorm omhoog.”
‘Er wordt steeds makkelijker een zakje op tafel gelegd’
Daarnaast is Sophie zelf student in Utrecht. De normalisering van middelengebruik ziet zij dus niet alleen tijdens de symposia, maar ook dagelijks om zich heen. “Als ik zelf kijk naar hoe ik het in Utrecht zie, vind ik wel dat het normaal aan het worden is.” Het is vooral heel toegankelijk tegenwoordig, legt ze uit. “Steeds meer studenten hebben wel een nummer, denk ik, van een dealer.” Een simpel appje is al genoeg: je spreekt een plek en een tijd af en zorgt ervoor dat je contant geld op zak hebt. De deal is zo rond.
Vooral op huisfeestjes en op festivals worden drugs veelvuldig gebruikt, stellen studenten zelf. Designerdrugs 3-MMC, MDMA en XTC zijn daar voornamelijk populair. Sophie: “Als je met je huisgenoten gaat drinken, wordt er steeds makkelijker een zakje op tafel gelegd. In steeds meer studentenhuizen heeft er iemand wel een zakje op zijn kamer liggen.”
Utrechtse geneeskundestudenten Lola en Pien zien de normalisering van drugsgebruik vooral tijdens grotere feesten groeien. “In mijn omgeving wordt wel echt het meeste gebruikt op festivals”, vertelt Lola. “Maar bijvoorbeeld met Koningsdag en Oud en Nieuw is het dan wel weer vaak thuis, en op ‘afters’.” Ook Pien ziet op festivals hoe normaal een pilletje of likje geworden is: “Ik merk eigenlijk dat het daar wel echt genormaliseerd is. Op elektronische festivals zijn er weinig mensen die helemaal niks gebruiken. Als je daar bent, is een van de eerste vragen die je krijgt: ‘Oh, wat gebruik jij?’” De studenten geven aan dat zij, als het gaat om cocaïne, juist veel minder gebruik om zich heen zien.
Preventiedeskundige Sarah Graman van Jellinek Utrecht herkent de cijfers en de verhalen over het middelengebruik onder Utrechtse studenten. “Studenten drinken al jaren vooral veel alcohol, en de afgelopen jaren is er meer aandacht gekomen voor het gebruik van andere middelen. Binnen specifieke studentengroepen worden soms ook zorgen geuit. Maar als je dat in de brede studentenpopulatie bekijkt, zie je geen hele grote of gekke verschuivingen. Wel wordt er makkelijker over gepraat, en in sommige bubbels zie je vaker gebruik, of meer gebruik.”
De coronapandemie lijkt een groot aandeel te hebben gehad in de toename van drugsgebruik onder studenten. Uitgaansgelegenheden waren dicht, colleges waren online, dus brak zijn was niet erg, en prikkels waren schaars. “Er werden gewoon heel veel huisfeestjes gegeven. En op die huisfeestjes werden dan drugs gebruikt.” Volgens Sophie is het gebruik toen flink toegenomen.
Vriendengroepen bepalen de norm
Volgens Graman is de trend vooral te zien bij uitwonende studenten die met leeftijdsgenoten samenwonen. “Zij gebruiken vaker middelen dan anderen. Het gaat dan met name om vriendengroepen en de kringen daaromheen. Sommige groepen gebruiken alleen 3-MMC, andere alleen alcohol, afhankelijk van wat binnen die specifieke vriendengroep normaal is geworden.” Graman: “Op de ene verjaardag haalt iemand een zakje coke uit zijn zak en denken mensen: ‘Wat doe jij nou, dat doe je hier niet.’ Op een andere plek is het juist wel normaal, en denkt een ander eerder: ‘O, dat kan ik hier ook doen.’ Dan lijkt het al snel de norm.”
Maar ook binnen vriendengroepen zijn er regelmatig verschillen in de mate van drugsgebruik, legt student Lola uit. “Er zijn toch altijd wel een paar mensen, en dat zijn er dan niet veel, waarvan je weet: die zijn er altijd wel voor in, ook op een normale doordeweekse avond bij iemand thuis.” Pien vult aan: “Zelf heb ik nooit echt dat ik dan die druk voel om mee te doen. En als ik er geen zin in heb, dan is het ook prima als ik het niet doe.”
‘Steeds meer studenten hebben wel het nummer van een dealer’
Van sociale druk is sowieso niet altijd sprake, volgens de studenten, al zal het soms “vast wel meespelen”. Sophie: “Ik denk dat dat misschien bij jongens wat meer is dan bij meiden. In mijn omgeving is het niet raar als je het niet doet. Maar er zullen ongetwijfeld mensen zijn die wel druk voelen. Als we bij de symposia met studenten praten, zeggen ze soms dat de eerste keer dat ze hebben gebruikt eigenlijk wel een beetje onddruk was.”
Zero-tolerance bij verenigingen
Bij de verenigingen ligt het probleem in elk geval niet, zo stellen de studenten zelf. Sophie bevestigt dit vanuit haar werk bij Waar Trek Jij de Lijn: “Wij focussen met onze stichting heel erg op grote gezelligheidsverenigingen en je hebt binnen de verenigingen natuurlijk een zero-tolerancebeleid. Dus op de vereniging zelf mag alleen maar gedronken worden. En daar houden eigenlijk alle leden zich aan.” Datzelfde geldt voor studieverenigingen, vertelt Lola, die zelf lid is van de studievereniging voor Geneeskunde. “Daar is echt een streng beleid en ik heb ook nog nooit iemand gezien die iets mee had of had gebruikt.”
Ook Graman is positief over het zero-tolerancebeleid van verenigingen. “Dat werkt goed”, aldus de preventiedeskundige. “Het is een heldere regel en leden weten dat. Soms willen verenigingen ook verder kijken dan de voordeur. Wat gebeurt er in de huizen en hoe kunnen we daarbij helpen, maar daar is als vereniging lastiger grip op te krijgen.”
Problematisch gebruik
Dat het gebruik soms uit de hand loopt, hebben de studenten in hun omgeving allemaal weleens gezien. Sophie: “Dat was bij een vriend van mijn huisgenoot, die woonde in een studentenhuis. Dat huis had al vaker gesprekken met hem gehad, want die merkte ook heel erg dat hij over zijn gebruik en andere zaken begon te liegen. Ik weet wel dat dat destijds echt een probleem is geweest.”
Het ontstaat vaak onopgemerkt, legt Sophie uit. “Je doet het de ene keer met die persoon, de andere keer met die persoon. En misschien gebruikt de persoon met wie je het doet één keer in de drie maanden drugs.”
Ook Lola ziet hoe sommige mensen gevoeliger zijn voor overmatig gebruik. “Dan nemen mensen zich voor echt niet te gebruiken, en dan doen ze het tóch. Daarna hebben ze dan weer spijt.” Wat betreft impulsiviteit denkt ze een verschil te zien tussen jongens en meiden in haar omgeving: “Ik heb wel het idee dat jongens meer verschillende dingen willen uitproberen. En meiden meer zoiets hebben van: oh, ik weet niet of ik hier goed op ga.” Dat het daardoor bij jongens misschien sneller uitloopt op problematisch gebruik, herkent Lola ook. “Ik heb ook het idee dat meiden zich er meer voor verantwoorden. En dat jongens iets meer ‘schijt’ hebben en denken: nou ja, ik doe het gewoon.”
Die impulsiviteit ziet Pien in haar omgeving echter een stuk minder: “Iedereen die ik ken, die zorgt er ook gewoon voor dat er altijd wel in ieder geval twee maanden tussen zitten of zo, voordat ze weer opnieuw gebruiken.”
Tekst loopt door onder de afbeelding
Twee kanten van bespreekbaarheid
De symposia die Waar Trek Jij de Lijn organiseert zijn niet gericht op verbieden, maar op bewustwording. Zoals de stichting benadrukt: “Ons voornaamste doel is bewustwording creëren over de ingrijpende impact van middelengebruik. Die impact raakt niet alleen de gebruiker zelf, maar ook familie, vrienden en de samenleving als geheel.” Tijdens de symposia delen sprekers hun persoonlijke ervaringen en professionele inzichten over middelengebruik en de gevolgen daarvan. Onder hen bevinden zich artsen, psychologen, ex-verslaafden, medewerkers van het Openbaar Ministerie en misdaadjournalisten. Door het gesprek aan te gaan, risico’s bespreekbaar te maken en taboes te doorbreken, hoopt de stichting een verschil te maken. Naast de symposia heeft de stichting recent ook een driedelige podcastserie gelanceerd. In deze reeks gaat zij in gesprek met misdaadjournalist John van den Heuvel, verslavingsarts Gerard Alderliefste en Liesbeth, die haar dochter verloor als gevolg van één avond drugsgebruik.
Waar Trek Jij de Lijn werkte in de beginjaren veel samen met Jellinek. Graman is voornamelijk positief over het initiatief van de studenten, maar plaatst er ook een kanttekening bij. “Wat ik er spannend aan vind, is dat je hiermee het beeld kunt neerzetten dat het overal genormaliseerd is, terwijl het eigenlijk nog steeds om specifieke groepen gaat. Als je steeds hoort dat ‘het overal is’, kan dat onterecht het gevoel geven dat het oké is, of dat het nu eenmaal bij het studentenleven hoort. Daarom geef je niet zomaar collectieve voorlichting aan alle nieuwe studenten over bijvoorbeeld cocaïnegebruik: 95% van hen zal dat sowieso nooit gebruiken en denkt dan: waarom krijg ik hier informatie over, ga ik dit soms tegenkomen? Dat moet je niet willen.” Graman benadrukt dat hetzelfde geldt voor de verhalen van de studenten die in dit artikel naar voren komen. “Hun uitspraken zijn geen afspiegeling van álle studenten in Utrecht. Zij laten zien welke uitschieters er zijn.”
Ook het Trimbos-instituut waarschuwt in zijn ‘Drugscommunicatie’ dat middelengebruik weliswaar mediageniek is, maar berichtgeving daarover niet zonder risico’s: veel publiciteit over drugsgebruik kan het beeld creëren dat iedereen gebruikt, wat normalisering juist in de hand kan werken.
Jellinek werkt op dit moment niet meer actief samen met Waar Trek Jij de Lijn. “Qua inhoud stonden wij er niet helemaal achter”, zegt Graman. “Zij gingen uit van waarschuwende sprekers. Er was vooral aandacht voor het thema en dat is op zich hartstikke goed, maar dan liever niet op een manier die vooral bedoeld is om af te schrikken.”



