Donderdag wordt aan de Draaiweg de laatste kerstnachtmis gehouden. De Sint-Joseph (zoals de kerk eigenlijk heet) is één van de vijf Utrechtse kerken die komend voorjaar dicht gaan vanwege het besluit van de Ludgerusparochie tot concentratie. De laatste viering aan de Draaiweg is gepland op 13 maart. Wat gaat er met deze mooie neogotische kerk uit 1901 gebeuren? Het aanvankelijk sobere interieur werd in de loop van de 20e eeuw verfraaid met glas-in-lood, beeldhouwkunst en houtsnijwerk van bekende Utrechtse kunstenaars.
Draaiwegkerk: einde van ‘krachtig katholiek leven’?

Kerkenbouw
Nadat de katholieke kerk rond 1850 de bisdommen in ere kon herstellen, verrezen er veel nieuwe kerken en kloosters. In het bisdom Utrecht werd de kerkenbouw gedomineerd door het Bernulphusgilde, een club van katholieke kunstenaars en architecten die streefden naar een heropleving van Middeleeuwse tradities en vakmanschap. Hun neogotische bouwstijl was strenger dan die van hun beroemde collega Pierre Cuypers.
Twee hoofdrolspelers waren de architect Alfred Tepe (bekend van de Willibrordkerk en het Hiëronymushuis) en de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg, beiden van Duitse komaf. Zij werkten nauw samen en woonden naast elkaar in een zelfontworpen kloosterachtig gebouw aan de Maliebaan 82-84.
Josephkerk
Eén van Tepes kerken was de OLV-ten-Hemelopneming aan de Biltstraat (inmiddels gesloopt). Deze parochie werd rond 1900 te groot, terwijl de gelovigen rond Lauwerecht en de — groeiende — Vogelenbuurt behoefte kregen aan een eigen parochie. Daarom werd grond gekocht in het tuinbouwgebied bij het Zwartewater, aan de Draaiweg. Binnen het Bernulphusgilde was ondertussen de volgende generatie aangetreden. De architect van de nieuwe kerk was een leerling van Tepe: Gerardus Adrianus Ebbers. De interieurelementen werden ontworpen door Mengelbergs zoon Otto.
[caption id=”attachment_259269” align=”alignnone” width=”1024”] Draaiwegkerk in 1912; rechts staan nog tuindersschuren (Het Utrechts Archief)[/caption]
In 1900 legde bouwpastoor R.J.A. Janssen de eerste steen en in 1901 zegende de aartsbisschop de Sint-Josephkerk in. Het 50 meter lange en 15 meter hoge bakstenen gebouw was van verre zichtbaar in het nog open gebied. De straatgevel leek wel wat op de Ridderzaal, maar dan met één traptoren. Binnen was het nog kaal: de gebrandschilderde ramen en het zandstenen altaarretabel zouden later volgen. Pastoor Janssen zette zich decennialang in voor de aankleding van zijn kerk.
Otto Mengelberg
Oorspronkelijk werkzaam in het atelier voor religieuze kunst van zijn vader aan de Maliebaan, begon Otto Mengelberg in 1896 voor zichzelf en specialiseerde zich in gebrandschilderd glas. Zijn ramen verschenen in diverse kerken van Tepe. Bij de kroning van Wilhelmina in 1898 maakte hij het gedenkraam in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Mengelberg liet zich inspireren door ramen uit de late Hollandse gotiek.
[caption id=”attachment_259270” align=”alignnone” width=”1024”] Otto Mengelberg (links) in zijn atelier, 1909 (Museum Catharijneconvent)[/caption]
In 1905 had pastoor Janssen voldoende geld ingezameld om Mengelberg de eerste drie ramen te laten maken in het koor van de Josephkerk. Ze verbeelden het kerstverhaal: geen plaats in de herberg, de geboorte van Jezus en de vlucht naar Egypte. Uiteraard is Sint Jozef op alle ramen present.
In 1913 kwam een ander werk van Otto Mengelberg gereed: het hoofdaltaar. Naast ramen bleef hij altaren maken, zoals hij van zijn vader had geleerd. Het zandsteen is deels monochroom en deels polychroom beschilderd, wat een bijzonder diepte-effect geeft.
[caption id=”attachment_259271” align=”alignnone” width=”1024”] Het hoofdaltaar door Mengelberg (foto Arjan den Boer)[/caption]
Behalve reliëfs over het Mirakel van Amsterdam bevat het retabel (de decoratieve wand boven de altaartafel) beelden van vroege Utrechtse bisschoppen. Links staan Bernulfus en Ludgerus, rechts Bonifatius en Willibrord. De laatste draagt een model van de Domkerk; dit anachronisme symboliseert dat hij de eerste kerk in Utrecht stichtte.
Katholiek leven
De aankleding van de kerk vorderde gestaag. In 1916 maakte de parochiaan Hendrik Poland een kruiswegstatie; deze taferelen zijn vaardig maar niet erg kunstzinnig geschilderd. In 1920 kocht de kerk een groter orgel, in 1872 gebouwd door de Duitse orgelmaker Friedrich Meyer, van wie slechts twee orgels bewaard bleven. Kort daarna kreeg het gebouw elektrische verlichting, waarbij de gaslampen verdwenen die op oude foto’s zichtbaar zijn.
[caption id=”attachment_259272” align=”alignnone” width=”1024”] Interieur met gaslampen, ca. 1910 (Het Utrechts Archief)[/caption]
“Zoo langzamerhand wordt de St. Jozefkerk een der schoonste van onze stad en zal zij tot in nageslachten getuigen van den eerbied van haar stichter [pastoor Janssen] voor Gods huis en zijn artistieken zin,” schreef Het Centrum in 1922. De katholieke krant blikte terug op de begintijd, “toen bij de karige middelen van een arme, beginnende parochie van ‘n versiering of verfraaiing der kerk nog geen sprake was … nog staande tusschen moesgoed en hovenierswoningen, met ‘n klein kuddeke van geloovigen er om heen, is ze nu geworden een flinke parochie, met een krachtig, warmkloppend katholiek leven.”
Drie generaties
In 1922 maakte Otto Mengelberg de grote ramen in het transept. Ook deze hebben ‘Josef’ als thema: links de heilige timmerman, rechts Jozef uit het Oude Testament, verkocht door zijn broers en uiteindelijk onderkoning van Egypte. Op een van de ramen is pastoor Janssen aan de zijkant afgebeeld, een leuke referentie aan de man die de kerk z’n gezicht gaf. Janssen bedacht zelf de onderwerpen van de ramen en heeft dus nauw met Mengelberg samengewerkt.
[caption id=”attachment_259273” align=”alignnone” width=”660”] Josef-raam van Otto Mengelberg, links in wit pastoor Janssen (foto Arjan den Boer)[/caption]
Tien jaar later waren de ramen in de zijbeuken en de doopkapel aan de beurt, en was het tijd voor de derde generatie Mengelberg. Hoewel hij in de voetsporen van zijn vader Otto trad, die in 1924 overleed, hanteerde Willem Mengelberg een modernere stijl met felle kleuren, strakke lijnen en minder detaillering. Zijn ramen in de Josephkerk geven onder meer de hoofdfiguren van de kerstening weer en de vroegste Utrechtse bisschoppen. Ook hier is Willibrord voorzien van een Domtoren. Bijzonder is verder een raam met vrouwelijke Nederlandse heiligen.
[caption id=”attachment_259274” align=”alignnone” width=”1024”] Detail Bisschoppen-raam van Willem Mengelberg (foto Arjan den Boer)[/caption]
Steph Uiterwaal
Bij het 50-jarig bestaan van de kerk in 1951 schonken de parochianen een mahoniehouten lambrisering, koorbank en koorhek. Het houtsnijwerk was van de katholieke kunstenaar Steph Uiterwaal. Hij was begonnen in het atelier van Mengelberg, maar had zich verder ontwikkeld onder invloed van moderne kunststromingen. In de Josephkerk slaagde hij er goed in zijn relatief sobere toevoegingen te laten harmoniëren met het oudere kerkinterieur. Uiterwaal maakte ook het houtwerk rond de zijaltaren met onder meer een mooi beeld van Sint Jozef.
[caption id=”attachment_259275” align=”alignnone” width=”1024”] Houtsnijwerk van Steph Uiterwaal (foto’s Arjan den Boer)[/caption]
Scheuren
De omgeving van de Josephkerk was ondertussen flink veranderd. Voor de oorlog was Tuinwijk al verrezen, na de oorlog volgde de Staatsliedenbuurt. Aanvankelijk groeide de parochie hierdoor, maar kromp weer door de secularisatie.
Symbolisch of niet, in de jaren 70 ontstonden er scheuren en verzakkingen in de kerk, die provisorisch werden hersteld. Vanwege de bouwkundige toestand overwoog men in de jaren 80 het gebouw te vervangen door een kleine, moderne kerkruimte en seniorenflats. De waardering voor neogotische kerken was in die tijd niet erg groot; men vond het maar kitsch. Toch werd de Josephkerk in 1989 een gemeentelijk monument, waardoor sloop van de baan was.
[caption id=”attachment_259276” align=”alignnone” width=”843”] Grijs geschilderd interieur vóór de restauratie, 1989 (Het Utrechts Archief)[/caption]
In de jaren 90 werd een grondige restauratie mede betaald met de verkoop van de naastgelegen pastorie. Hierbij kreeg het kerkinterieur z’n huidige vorm. De ooit kleurrijke gewelven waren kort na de oorlog grijs geschilderd. Herstel van de oude beschildering bleek onhaalbaar, en zou niet goed combineren met de lambriseringen. Op advies van pastor, architect en kunstenaar Jack de Valk werden de zuilen in 1997 oranjerood geschilderd en de gewelven crème. Deze kleurstelling benadrukt de architectuur en zorgt bovendien voor een warme sfeer. De Valk ontwierp ook een glas-in-loodraam boven de ingang, waarmee alle 28 ramen compleet waren.
[caption id=”attachment_259268” align=”alignnone” width=”800”] Ensemble Ars Nova Trajectina in de Josephkerk (foto Arjan den Boer)[/caption]
Toekomst?
Kerkverlating en vergrijzing hebben het aantal gelovigen — letterlijk — gedecimeerd. In 2011 zijn zes Utrechtse parochies samengegaan in de Ludgerusparochie. Mede door het beleid van aartsbisschop Eijk heeft het parochiebestuur besloten de vieringen te concentreren in de Rafaelkerk in Overvecht. De vijf andere kerkgebouwen verliezen hun functie. De Joseph-, Antonius-, Dominicus-, Jacobus- en Nicolaas-Monicakerk zouden al in 2015 sluiten, maar dit is uitgesteld tot 1 juli 2016.
Het is zonde dat het parochiebestuur bij de keuze voor de Rafaelkerk alleen heeft gekeken naar praktische punten, en niet naar het behoud van religieus erfgoed. Anders waren de Antonius- of Josephkerk logischer kandidaten.
Wat gebeurt er met de Josephkerk? Het parochiebestuur heeft een makelaar ingeschakeld voor een taxatierapport en zal daarna over verkoop beslissen. Je moet er niet aan denken dat er een sportschool, tandartsenpraktijk of appartementen in de Josephkerk komen; daarvoor is het interieur echt te bijzonder.
[caption id=”attachment_259278” align=”alignnone” width=”921”] De Josephkerk aan de Draaiweg, december 2015 (foto Arjan den Boer)[/caption]
Hoop
De locatieraad (voortgekomen uit de oude parochie van Sint-Joseph) hoopt iets van de religieuze functie in de wijk te kunnen behouden. De kerk wordt soms al door migrantengroepen gehuurd; zo zijn er regelmatig Servisch-Orthodoxe vieringen. Ook worden er kleine vieringen met een gregoriaanse vrouwenschola gehouden. De locatieraad hoopt dat dit na 1 juli kan worden voortgezet, maar onduidelijk is wie het gebouw dan moet financieren.
Is er nog een rol voor de gemeente Utrecht, behalve toezicht op het naleven van de gemeentelijke monumentenverordening? De kerksluitingen zijn niet tegen te houden, dus moet herbestemming de inzet zijn. Onlangs heeft de gemeenteraad besloten tot een Kerkenvisie, op aandringen van de commissie Erfgoed van de Vereniging Oud-Utrecht. Maar wat zal die visie concreet opleveren voor de Josephkerk en komt dat niet te laat?



