Verdwenen fabrieken: Lood- en Zinkpletterij Hamburger in Lombok

Da fabriek vanaf Holiday Inn, 1970
Da fabriek vanaf Holiday Inn, 1970 Het Utrechts Archief

Tot ver in de jaren zeventig was er zware industrie gevestigd in woonwijken, waar ook gevaarlijke en giftige stoffen werden verwerkt. Zoals langs de Vecht de loodwitfabriek van Greve voor vervuiling zorgde, was dat aan de Leidse Rijn de lood- en zinkpletterij van Hamburger. Aanvankelijk hadden vooral boeren en tuinders er last van — en natuurlijk de fabrieksarbeiders — maar later ook omwonenden. Vanaf de jaren zestig kwam een uittocht op gang naar nieuwe industriegebieden. De gaten in de stad werden na sanering gevuld met woningen.

De joodse koopman Abraham David Hamburger (1828-1891), gevestigd aan de Oudegracht 223, handelde in oude en nieuwe metalen. Lood en zink, belangrijke bouwmaterialen, kwamen meestal geplet vanuit het buitenland. In 1866 besloot Hamburger zelf een loodpletterij te beginnen in een werkplaats achter zijn huis, aan de Zwaansteeg. Dat fabriekje werkte op stoomkracht en had in 1871 tien werknemers. Er was ook een buizenperserij aan verbonden die als eerste in Nederland loden pijpen produceerde.

Hamburger verplaatste zijn bedrijf in 1872 naar een nieuwe locatie aan de Leidse Rijn voor meer ruimte en betere bereikbaarheid. Het fabriekscomplex aan de Leidsekade bij de Damstraat groeide snel. In 1875 voegde Hamburger een zinkpletterij toe. Het pletten en verwerken van zink werd zijn specialiteit. Zink was een licht en goedkoop alternatief voor lood en koper als dakbedekking, voor goten en voor leidingen. Hamburger leverde ook loden buizen met tinnen binnenmantel voor de opkomende drinkwaterleidingbedrijven.

Tekst loopt door onder de foto

[caption id=”attachment_406668” align=”alignnone” width=”1024”] De pletterij in 1915 (Het Utrechts Archief)[/caption]

Groei en fragmentatie


Vooral lood is erg giftig. Het schijnt dat het vee in de weilanden rond de fabriek ziek werd en de melk ondrinkbaar. Wat dit betekende voor de arbeiders laat zich raden, al is er weinig over bekend. Rond 1885 werkten er ongeveer 125 man. Hamburger deed in die periode goede zaken, zo bleek uit de overname van de naastgelegen schroevenfabriek Van Heukelom & Verweij en van een werkplaats in Amsterdam. Privé investeerde Abraham in een tiental huizen in Utrecht. Zijn geld besteedde hij ook aan liefdadigheid binnen de joodse gemeenschap. Zo was hij een van de stichters van het Centraal Israëlitisch Weeshuis en lid van het armbestuur. Overigens kreeg al het personeel op joodse feestdagen vrij. Hamburger was bestuurslid van de Utrechtse Kamer van Koophandel en toen zijn bedrijf twintig jaar bestond, schonk hij de stad een openbare pomp van zink op de Neude.

Nadat Abraham Hamburger in 1891 overleed, zetten drie zoons de zaak aanvankelijk samen voort. Ze voegden een koperpletterij toe, namen een buizenperserij over in Rotterdam en begonnen ook een loodgieterij in Amsterdam. Na verloop van tijd kregen ze echter verschil van inzicht en begon oudste zoon David Abraham Hamburger (1852-1913) in 1906 de Zuid-Hollandse Pletterijen in Rijswijk. In 1913 stichtten de zonen van Abraham Ezechiël Hamburger (1847-1912) hun eigen Utrechtsche Walswerken aan de Keulsekade langs het Merwedekanaal.

Jezaja Abraham Hamburger (1859-1929) en diens zoon Joseph hadden de leiding over de oorspronkelijke fabriek aan de Leidse Rijn. Zij konden in 1916 het 50-jarig jubileum vieren. Het bedrijf ontving toen het predikaat Koninklijk, en: ‘Een fraai tegeltableau, door het personeel aangeboden, manifesteert de goede verstandhouding tusschen directie en personeel, evenals een eigen muziekcorps, dat zich bij feestelijkheden in eigen bedrijf, doch ook bij stedelijke festiviteiten geregeld laat hooren.’

Er werd toen hoog opgegeven over het distributienetwerk van NV Koninklijke Nederlandsche Lood- en Zinkpletterij v/h A.D. Hamburger: ‘In Nederland bezit zij eigen filialen te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Leeuwarden en Groningen, terwijl zich bovendien in de voornaamste steden des lands vertegenwoordigers met depots bevinden, om prompt de uitgebreide clientèle te kunnen bedienen. De export wordt van Utrecht uit behandeld door een net van diverse vertegenwoordigers en agentschappen in de meeste landen.’

Tekst loopt door onder de foto


Concentratie en vertrek


De Tweede Wereldoorlog was een zeer zware tijd voor de joodse familie — verschillende leden werden omgebracht — en een moeizame periode voor de bedrijven. In de naoorlogse decennia kregen de drie pletterijen steeds meer buitenlandse concurrentie, wat noopte tot hernieuwde samenwerking. De Utrechtsche Walswerken werden in 1956 opgeheven, de Zuid-Hollandse Pletterijen kwamen in 1972 in handen van de Utrechtse tak. Aanvankelijk bleven er twee productielocaties bestaan, maar de situatie in Lombok werd onhoudbaar door de woonwijk die er in de 20e eeuw omheen was gegroeid. Bewoners werd ontraden groente uit de tuin te eten. De ligging tussen huizen was goed zichtbaar vanaf het nieuwe Holiday Inn-hotel (zie foto bovenaan).

In 1976 werd de productie geconcentreerd in Rijswijk onder de naam Uzimet (Utrechtse Zink Metaal). Daar bestaat dit bedrijf nog steeds, tegenwoordig onderdeel van de Calder Group. In Utrecht bleef Hamburger actief als handelsmaatschappij aan de Mississippidreef. De gemeente kocht in 1984 het fabrieksterrein in Lombok aan en liet het saneren. 40.000 ton vervuilde grond werd vervangen. Enkele jaren later verrezen er nieuwe woningen tussen de Timorkade en de Ceramstraat. In 2018 nog is er onderzoek gedaan naar verontreiniging omdat restmateriaal van de fabriek gebruikt kan zijn bij ophoging. Vooral in de tuinen zou er risico bestaan op een verhoogd loodgehalte. Aan de uitkomst lijkt geen bekendheid te zijn gegeven. Meer dan dit ongewenste aandenken rest er niet van deze Utrechtse fabriek. Behoud van de schoorstenen als monument werd in de jaren tachtig niet haalbaar geacht.