Utrecht kende vroeger veel praktische vakopleidingen zoals de Slagersvakschool, Kruideniersvakschool, Nationale Schildersschool, de Vakschool voor Typografie en de Kappersvakschool. Hoewel Nimeto nog trots bestaat, evenals het Grafisch Lyceum Utrecht, en het ROC Midden Nederland een waaier aan eigentijdse praktische studies biedt, lijkt de opleiding voor kleermakers definitief verdwenen uit de stad met een mantel in het wapen.
In 1903 begon de eerste kleermakersvakschool van Nederland aan de Oudegracht. Er waren toen 7 leerlingen, maar dat aantal nam snel toe. Na tien jaar betrok de school het gebouw van leeszaal Concordia aan de Loeff Berchmakerstraat 12. Bij het halve eeuwjubileum in 1953 telde de school 114 leerlingen en nog eens 61 aan de avondschool. Inmiddels waren er meer meisjes dan jongens, terwijl kleermaken van oorsprong een mannenberoep was. Bij het jubileum werd gemeld dat het gebouw te klein en onpraktisch was geworden. Directeur Petrus Johannes Starink (zelf ooit kleermaker) kondigde nieuwbouw aan in het Uitbreidingsplan Lauwerecht, wat de Staatsliedenbuurt zou worden. Ook kreeg de school een modernere naam: Technische School voor het Kledingbedrijf.
Als architect had het schoolbestuur Albert van Overhagen (1919-1991) gevraagd. Hij was in 1948 afgestudeerd aan het Hooger Bouwkunst Onderricht, de latere Academie van Bouwkunst Amsterdam. Hij had zich met zijn oudere collega Ariean Pieter Koster (1889-1957) gevestigd aan de Stationsstraat in Utrecht, en later zelfstandig aan de Biltstraat. Koster en Van Overhagen ontwierpen ook de uitbreiding van de MTS Bouwkunde aan de Vondellaan. Naast vele woningen zou Van Overhagen in Utrecht enkele protestantse kerken ontwerpen, later ook de de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling aan de Kaatstraat en bejaardencentrum Zuylenstede in Overvecht.

Praktijklokalen
Op de jubileumbijeenkomst mocht de architect in 1953 zijn ontwerp toelichten: ‘Het zullen eigenlijk twee panden worden, die haaks op elkaar staan en verbonden zijn door het trappenhuis. De school heeft een capaciteit van ongeveer 150 leerlingen. Het ene pand wordt in drie verdiepingen opgetrokken. In de beneden verdieping van het hoogste pand zal de ruimte komen voor de stookinstallatie e.d. en een groot overblijflokaal, dat tevens als een gymnastieklokaal dienst kan doen. Op de eerste en tweede verdieping zullen elk drie practijklokalen worden ingericht van ongeveer 10 bij 8 meter. De ene verdieping wordt geheel bestemd voor net onderwijs aan meisjes, de andere is voor de jongens.’
In de andere vleugel van het L-vormige complex kwamen op de begane grond de administratie, de werkkamer van de directeur en de bestuurskamer. Daarboven waren drie lokalen geprojecteerd voor de theorielessen. De bouw zou ongeveer een jaar kosten, vertelde Van Overhagen, maar pas op 12 september 1955 was de officiële ingebruikname van de Technische School voor het Kledingbedrijf aan de Nolensstraat 33a (de straatnaam is later gewijzigd in Nolenslaan).
Inspecteur van het Nijverheidsonderwijs Leo van Waegeningh (1901-1977) verrichte de opening. Hij beweerde dat de stad Utrecht met z’n schutspatroon Sint-Maarten een goede kleermakersschool verdiende. ‘Want kleermakers moeten er zijn, om van de in tweeën gesneden mantel van St. Maarten weer draagbare kledingstukken te maken.’ De leerlingen waren ook blij met het nieuwe gebouw: ‘Een vertegenwoordigster van de afd. meisjes en een vertegenwoordiger van de afd. jongens boden het bestuur namens de leerlingen enkele kristallen asbakken aan.’

Baksteenreliëf
Het schoolgebouw had aan de Nolensstraat een blinde kopgevel. Voor de aankleding daarvan had de architect samen met een bevriend kunstenaarsstel iets bijzonders bedacht: een baksteenreliëf. ‘We wisten eerst niet hoe we de school nu eens met een artistiek geheel moesten aanvullen. We wilden niet een los beeld of iets van dien aard aan de school aanbrengen’, vertelde Van Overhagen aan het Utrechtsch Nieuwsblad. Het reliëf werd niet in de muur gehakt, maar tijdens de bouw meegemetseld. ‘Deze oplossing was er één uit duizend, want het werk ging normaal door. Alleen moesten vertrouwde lieden de muur op die speciale manier – steentje naar binnen, steentje naar buiten – heel nauwkeurig opbouwen.’ De metselaars, die de tijdrovende klus deels onbetaald deden uit liefde voor hun vak, kwamen ook aan het woord: ‘Zoiets hebben we nog nooit gemaakt en dat zal ook wel niet meer voorkomen.’
Het kunstwerk getiteld Naaiatelier toonde vier kleermaaksters achter naaimachines. De makers waren Rumualda van Stolk (1921-2012) en haar toenmalige echtgenoot Pieter Bogaerts (1920-1983). Van Overhagen had hen leren kennen in Amsterdam, waar ze aan de Rijksakademie tijdelijk in hetzelfde gebouw les kregen als Bouwkunst. Rumualda van Stolk zou in de jaren daarop de vaste kunstenaar worden aan bouwwerken van Albert van Overhagen, eerst met reliëfs in baksteen, later in beton. Voorbeelden zijn wijkcentrum Prinsenhof aan de Eykmanlaan uit 1962 (afgebroken, reliëf herplaatst) en de Tannhäuserdreef-flat in Overvecht uit 1965 (bewaard). Het zijn allemaal figuratieve voorstelling, maar vanwege de gebruikte techniek sterk geabstraheerd.
Bij de sloop van de school aan de Nolenslaan eind jaren negentig ging het baksteenreliëf helaas verloren. De opleiding had ondertussen enkele naamswijzigingen ondergaan (zoals MTS voor Mode & Kleding) en was vermaard om de modeshows met werk van leerlingen. In 1990 werd de school deel van het Vaktechnisch Lyceum Utrecht, als ‘unit’ Mode en Kleding naast de grafische vakken. Kort na de nieuwbouw van het Vaktechnisch Lyceum aan de Vondellaan in 1997 bleef echter alleen het Grafisch Lyceum over. Sinds 2001 staat aan de Nolenslaan het appartementengebouw Nolenshof dat dezelfde L-vorm heeft als de verdwenen school.
Gekoppelde berichten
Verdwenen schoolgebouwen: Christelijke VGLO-school aan de Onyxweg
Toen de gemeente Zuilen in 1954 werd geannexeerd door Utrecht, kwam de Zuilense gemeente-architect Wim…
Verdwenen schoolgebouwen: Elout van Soeterwoudeschool aan de Zwanenvechtlaan
Na de Tweede Wereldoorlog moesten er veel scholen worden gebouwd met schaarse middelen. Dat leidde…
Verdwenen schoolgebouwen: Drijvende school De Ark in het Merwedekanaal
Kort na de Tweede Wereldoorlog heerste er woningnood en er was een tekort aan bouwmaterialen.…
2 Reacties
ReagerenMooie en via links uitgebreid geïllustreerde informatie over deze Technische School voor Mode en Kleding bijeengebracht weer Arjan, hulde!
Van de de vier vrouwen in het baksteenreliëf zijn de twee aan de rechterkant duidelijk bezig met een naaimachine. Van de twee aan de linkerkant zou ik dat zo snel niet zeggen. Er zijn/waren vele machines in die branche.