Een rondgang door de 100-jarige Inktpot

De Inktpot in 1921
De Inktpot in 1921 Spoorwegmuseum

Deze maand bestaat de Inktpot 100 jaar, een van de meest imposante gebouwen van de stad. Tegenwoordig het onderkomen van ProRail, werd het in 1921 aan het Moreelsepark geopend als Hoofdadministratiegebouw III van de Nederlandse Spoorwegen. Voor de Utrechters van toen moet het een soort wolkenkrabber hebben geleken. Arjan den Boer maakte een rondgang door het gebouw en lette op de details. Ook zocht hij er historische foto’s bij.

In 1917 ontstonden de Nederlandsche Spoorwegen (NS) als samenwerking tussen de Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). Er moest een gezamenlijke vestiging komen en men koos voor Utrecht, dat daarmee spoorweghoofdstad werd. Ook de Amsterdamse spoorbeambten van de HIJSM kwamen nu aan het Moreelsepark te werken. Een derde hoofdgebouw (HGB III) verrees naast de eerdere twee van de Staatsspoorwegen (HGB I en II).

Het nieuwe HGB werd ontworpen door George Willem van Heukelom (1870-1952), chef van de Dienst Weg en Werken. Hij had in Delft civiele techniek gestudeerd en was zijn spoorcarrière in 1893 begonnen als aspirant-ingenieur met de gietijzeren overkappingen voor Utrecht CS. Later ontwierp hij ook stationsgebouwen, zoals die van Roosendaal en Maastricht.

[caption id=”attachment_366866” align=”alignnone” width=”1024”] George Willem van Heukelom (Het Utrechts Archief)[/caption]

De bouw van de Inktpot nam slechts drie jaar in beslag. Om de grootste baksteenkolos van Nederland te realiseren ondanks de schaarste vanwege de Eerste Wereldoorlog, namen de spoorwegen de productie van bouwmaterialen zelf ter hand. Twee eigen steenfabrieken leverden 22 miljoen bakstenen en een aangekocht Limburgs bos 4.000 kubieke meter eikenhout. Voor de fundering werd 21 kilometer aan spoorstaven gebruikt.

Monumentaal bouwwerk

De rechthoekige plattegrond van 100 bij 85 meter bestaat uit vier vleugels rond een binnenplaats. Aan de voorkant is een hoog gedeelte met hoofdingang, gemarkeerd door een vierkante toren. Van Heukelom bedoelde die wellicht als een afspiegeling van de Domtoren, die hij enkele jaren later zou restaureren. De hoekige vormen van het gebouw gaven al snel aanleiding tot de — aanvankelijk spottende — bijnaam Inktpot.

[caption id=”attachment_366865” align=”alignnone” width=”1024”] Ontwerptekening Van Heukelom (Spoorwegmuseum)[/caption]

De bouwstijl wordt wel kubistisch-expressionistisch genoemd. Van Heukelom werd ongetwijfeld beïnvloed door de Amsterdamse School, maar wordt daar zelf niet toe gerekend. Net als voor het postkantoor van Joseph Crouwel aan de Neude vormde de Finse architect Eliel Saarinen een belangrijke inspiratiebron. De Inktpot lijkt op diens niet-uitgevoerde ontwerp voor het Finse parlement uit 1908.

Kort na opening noteerde de jonge schrijfster Jo de Wit dat er mensen waren ‘wier dagelijksche sleur èven gebroken werd toen hun blik plots stuitte op dit monument; die zich glimlachend afvroegen: wat is dit? Van hoe, van waar, in Holland, Utrecht, zoo maar opeens!’ Architect Albert van Rood dacht dat het gebouw eeuwen later nog gezien zou worden ‘als een der beste monumenten van onzen tijd, omdat het een qualiteit heeft, die haast alle gebouwen van onzen tijd missen: het is ongekunsteld.’ Zijn collega Han van Loghem schreef echter: ‘Het is niet spiritueel, er is geen lach en geen traan in.’ Hij vond Van Heukelom meer ingenieur dan kunstenaar.

[caption id=”attachment_366843” align=”alignnone” width=”1024”] Siermetselwerk (Arjan den Boer)[/caption]

Siermetselwerk

Het basismateriaal van de Inktpot is baksteen, al werd er voor de constructie ook veel beton en ijzer gebruikt. Waar buiten alleen bruinrode stenen zijn toegepast, is er in het interieur veel meer afwisseling. De lambriseringen in de gangen zijn opgetrokken uit geglazuurde bakstenen in subtiele tinten kopergroen en okergeel. Deze gekleurde stenen zijn ook in de trappenhuizen te vinden en rondom deuropeningen.

Het siermetselwerk kent verschillende steenvormen en metselverbanden. Voor de bogen van de gewelven werden speciaal gebakken, taps gevormde stenen gebruikt. In de trappenhuizen konden de metselaars zich uitleven in verschillende metselverbanden. Naast Vlaams verband (afwisselend hele en halve stenen) zijn er ook stukken uitgevoerd in staand verband. Uitkragingen, gemetselde sierlijsten en keramische ornamenten zorgen voor nog meer variatie.

[caption id=”attachment_366844” align=”alignnone” width=”1024”] Catacomben (Het Utrechts Archief)[/caption]

Catacomben

De hallen en lange gangen van de Inktpot bestaan uit relatief lage gewelven. Deze bakstenen bogen zijn wel monumentaal, maar niet erg vrolijk. Er is weinig direct daglicht, waardoor het er zeker vroeger donker was. ‘Het is zoo kil, zoo eenzaam’, schreef een krant in 1921. ‘Het komt te kort, het komt zooveel te kort, als een verblijf voor meer dan duizend menschen te kort kan komen aan behaagelijkheid, aan boeiende ontplooiing. Het is bijzonder ernstig en het verheugt je niet. Uit deze gangen komen zij, die bang zijn voor het leven en voor het lijden’.

De kantoren en werkruimtes hebben wel ruim voldoende licht via de ramen. Tegenwoordig zijn ook de gangen goed verlicht en is de tegelvloer voorzien van een opzetvloer met oranje vilttapijt, waardoor het er akoestisch en klimatologisch prettiger toeven is.

[caption id=”attachment_366845” align=”alignnone” width=”1024”] Glas-in-lood (Arjan den Boer)[/caption]

Glas-in-lood

Van de glas-in-loodramen in de trappenhuizen zijn de negen stuks op de eerste omloop het meest indrukwekkend. De andere ramen hebben alleen ornamenten, maar hier zijn economische sectoren uitgebeeld: spoorwegen, scheepvaart, luchtvaart, handel, landbouw, visserij, mijnbouw, post en telegrafie. De spoorwegen zelf worden verbeeld door een gevleugeld wiel, maar ook het nieuwe vervoermiddel vliegtuig werd afgebeeld. De ramen zijn rijk aan kleurnuances, maar rood en blauw overheersen.

In een raamhoekje staat: ‘Jan Schouten ’t Prinsenhof Delft’. Vaak wordt gedacht dat hij het glas-in-lood ontwierp, maar Schouten was de directeur met een technische achtergrond. Het artistieke werk deed Herman Veldhuis (1878-1954), opgeleid aan de Haagse kunstacademie. Hij hanteerde niet één ontwerpstijl maar koos wat paste, zoals geometrische art deco in de trappenhuizen. Het souterrain heeft weer heel andere ramen: met vruchten respectievelijk bloemen in de koffiezalen (kantines) voor mannen en vrouwen.

[caption id=”attachment_366846” align=”alignnone” width=”1010”] Lichtschacht (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)[/caption]

Lichtschacht

De 58 meter hoge toren in het midden van de voorste vleugel was niet alleen om het gebouw aanzien te geven en de hoofdingang te markeren. Praktisch diende deze als hoofdtrappenhuis en watertoren. Bovenin zat namelijk een stalen waterreservoir van 27 kubieke meter, dat zorgde voor druk op de waterleiding en bluswater bij brand. Tegenwoordig is het reservoir buiten gebruik.

De lichtschacht in het midden is de meest fotogenieke plek in het gebouw; het is spectaculair om beneden vandaan de hoogte in te kijken. Het bovenste gedeelte van de toren, waar geen trappen meer zijn, loopt smaller toe. In het midden van de drie andere vleugels van de Inktpot zijn soortgelijke trappenhuizen, die ook zo’n lichtschacht hebben. Ze zijn een maatje kleiner en missen de torenachtige opbouw.

[caption id=”attachment_366847” align=”alignnone” width=”1024”] Lantaarn (Arjan den Boer)[/caption]

Lantaarn

Bijzonder is de lantaarn bovenin de lichtschacht van het hoofdtrappenhuis. Als er licht in schijnt, schittert de lantaarn als een juweel in de donkere toren. Zo’n lantaarn was oorspronkelijk bedoeld om daglicht binnen te laten. Dat zou het lichtequivalent van 9.000 kaarsen opleveren. Normaal gesproken zit een lantaarn bovenin, maar hier zat het waterreservoir ertussen. Hij steekt dus niet boven het dak uit, maar hangt omgekeerd aan de lekvloer van het reservoir. Het licht viel langs de zijkanten binnen, om het waterreservoir heen. Later is er kunstlicht in aangebracht.

Van 45 meter lager gezien zijn de afmetingen lastig in te schatten, vooral de hoogte van de lantaarn. Die moet zo’n 2,5 meter bedragen en de breedte 3,5 meter. De tapse houten rechthoekvorm is gevuld met kleurrijk glas-in-lood. De ontwerper is onbekend; wellicht was het architect Van Heukelom zelf.

[caption id=”attachment_366848” align=”alignnone” width=”1024”] Commissarissenzaal (Spoorwegmuseum)[/caption]

Commissarissenzaal

De meest representatieve ruimte is de Commissarissenzaal op de tweede verdieping, gelegen boven de hoofdingang. Hier vergaderde de raad van commissarissen van de NS en vierde men officiële gelegenheden zoals jubilea en directeurswisselingen. Om de zaal extra allure te geven is deze hoger dan de andere ruimtes. De Commissarissenzaal heeft twee zijruimtes, die met schuifdeuren ‘en suite’ kunnen worden afgesloten.

De zaal is aangekleed met glas-in-loodramen en een hoge eikenhouten lambrisering. Op de parketvloer lag oorspronkelijk een speciaal ontworpen Deventer tapijt. Critici vonden destijds dat de NS hiermee maar geld over de balk smeet. Dit kostbare tapijt is verloren gegaan; er ligt inmiddels een modern exemplaar waarin de lantaarn uit de lichtschacht is verwerkt. De ruimte wordt tegenwoordig multifunctioneel gebruikt en heet nu Catharijnezaal.

[caption id=”attachment_366849” align=”alignnone” width=”1024”] Lichtarmaturen (Arjan den Boer)[/caption]

Lichtarmaturen

Eind 20e eeuw zijn de oorspronkelijke lampen verwijderd uit de Commissarissenzaal. De armaturen, een soort ovale kroonluchters van siersmeedwerk, werden toen opgeslagen. Ze zijn recent gerestaureerd en hangen sinds kort weer op hun oorspronkelijke plek. Een van de glazen bolletjes aan de zijkant van de armaturen, gemaakt van gemarmerd Jena-glas, werd ook teruggevonden; de andere zijn aan de hand daarvan nagemaakt. In de zijruimtes hangt een afwijkend rond model lamp met een roodkoperen middendeel.

De armaturen zijn destijds ontworpen door Hendrik Johannes Winkelman (1872-1948) en gemaakt in diens Amsterdamse ‘Fabriek voor Artistieke Metaalbewerking’, net als het andere siersmeedwerk in de Inktpot. Het atelier van Winkelman had in 1916 ook al het siersmeedwerk van hekken, trappen en lampen verzorgd van het Scheepvaarthuis in Amsterdam, het eerste gebouw in de stijl van de Amsterdamse School.

[caption id=”attachment_366850” align=”alignnone” width=”1024”] Personeelszaal (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)[/caption]

Personeelszaal

De tegenwoordige Nieuweroordzaal was de tegenhanger van de Commissarissenzaal, bedoeld voor vergaderingen van het hogere personeel, zoals spoorwegingenieurs. Deze zaal deed weinig onder voor de andere en had ook lambriseringen, keramieken sierlijsten, glas-in-loodramen en op de vloer visgraatparket. Het meubilair en de verlichtingsarmaturen waren wel wat minder imposant uitgevoerd. Terwijl de Commissarissenzaal aan beide kanten een zijkamer met schuifdeuren heeft, geldt dat voor de Personeelszaal slechts aan één zijde.

Tegenover de entree van de Personeelszaal zijn keramische plaquettes in de gangmuur gemetseld met een ‘arbeidsspreuk’, die enigszins cryptisch luidt: ‘Geeft Uzelf / Geeft elkander’. De Nieuweroordzaal kreeg later een verlaagd plafond en het glas-in-lood verdween uit de vensters. Het meubilair is inmiddels — net als in de Catharijnezaal — modern. De zijkamer heeft echter wel een historische ambiance, omdat daar een ameublement uit 1921 is herplaatst.

[caption id=”attachment_366851” align=”alignnone” width=”1024”] Ameublement (Arjan den Boer)[/caption]

Ameublement

Architect Van Heukelom streefde naar een totaalplaatje en ontwierp zelf alle meubelen in een robuuste stijl, even hoekig als het gebouw zelf. In de loop der jaren zijn deze meubels bijna allemaal verdwenen. Naar verluid werden ze in de jaren zeventig op de binnenplaats in stukken gezaagd. Alleen het zware ameublement uit de Commissarissenzaal werd overgedragen aan de (latere) Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE).

De RCE gaf de meubelen deels in bruikleen aan de Eerste Kamer in Den Haag. Een ProRail-medewerker had daar eerder stage gelopen en wees op het bestaan van de meubelen, die in Utrecht allang vergeten waren. Onlangs stond de Eerste Kamer de vergadertafel met tien stoelen af. Het ameublement staat nu om praktische redenen niet in de Commissarissenzaal, maar in de zijkamer van de Personeelszaal. De mosterdgele stoffering is recent, oorspronkelijke was deze donker.

[caption id=”attachment_366852” align=”alignnone” width=”1024”] Bouwkeramiek (Arjan den Boer)[/caption]

Bouwkeramiek

De wandklokken in de muur van de Commissarissen- en Personeelszaal hebben keramieken wijzerplaten, donker geglazuurd met vergulde ornamenten. De cijfertegels zijn omringd door reliëftegels in golfvorm met vergulde onderbrekingen, die beide terugkomen in de sierranden bovenaan de wanden. In de Personeelszaal zijn deze keramische sierlijsten later helaas deels overschilderd.

Deze keramiek werd gemaakt door Willem Coenraad Brouwer (1877-1933), waarschijnlijk in nauw overleg met architect Van Heukelom. Ze werkten eerder samen aan het station Maastricht en Brouwer was bekend van de terracotta voor het Vredespaleis. Volgens hem moest bouwkeramiek de architectuur accentueren en niet overheersen. Zijn werk was eenvoudig, geometrisch en ritmisch. In de Inktpot maakte Brouwer ook de ingemetselde etagenummers in de trappenhuizen, evenals de plafondornamenten in de lichtschachten en keramische versieringen aan betonbalken. Leuk detail vormen de organisch gevormde randen van de (verdwenen) bedieningspanelen van de oorspronkelijke liften.

[caption id=”attachment_366853” align=”alignnone” width=”1024”] Kantoren (Spoorwegmuseum)[/caption]

Kantoren

De Inktpot bood in 1921 plaats aan zo’n 1.500 spoorwegbeambten. Dat waren klerken en secretaresses, maar bijvoorbeeld ook de ingenieurs en tekenaars van de bouw- en constructie-afdelingen. De meesten van hen werkten in kantoorzalen of tekenkamers, terwijl de afdelingschefs beschikten over een aangrenzend privékantoor. De gang aan weerszijden van de Commissariszaal werd wel het ‘Gouden Straatje’ genoemd, omdat daar veel kantoren voor directeuren an andere hoge ambtenaren waren. Deze privékamers met eikenhouten lambrisering hadden zicht op de stad, terwijl het ‘gewone’ personeel vanuit kalere ruimtes op de binnenplaats keek.

Veel kantoorkamers zijn in de loop der jaren aangepast en bijvoorbeeld voorzien van systeemplafonds of scheidingswanden. Maar op verschillende plekken zijn nog authentieke lambriseringen, vaste kasten, muurbanken en originele deuren aanwezig, net als het tegelwerk achter de radiatoren. Het meubilair is overal vervangen.

[caption id=”attachment_366854” align=”alignnone” width=”1024”] Wandklokken (Arjan den Boer)[/caption]

Wandklokken

Stiptheid was belangrijk voor de spoorwegen, zowel wat de dienstregeling betreft als voor werktijden en afspraken. Vrijwel alle ruimtes in de Inktpot beschikten over een vaste wandklok, die centraal werd aangestuurd door een ‘moederklok’ vanuit de klokkenkamer, net zoals dat op de stations gebeurde. In de kamers met een houten lambrisering werden de wijzerplaten daarin opgenomen, in de andere ruimtes in een eenvoudig gedecoreerde eikenhouten behuizing aan de muur.

In verschillende kamers zijn de originele wandklokken nog altijd aanwezig, maar de centrale aansturing fungeert niet meer. De meeste klokken staan stil, maar bij enkele is het mechaniek vervangen door een eenvoudig modern uurwerkje met batterij.

[caption id=”attachment_366855” align=”alignnone” width=”1024”] Siersmeedwerk (Arjan den Boer)[/caption]

Siersmeedwerk

Her en der in de Inktpot zitten opvallende groene hekjes van smeedijzer. Op de derde en vierde verdieping sieren ze de muuropeningen van tussenetages. Door de extra hoogte van de twee grote zalen eronder liggen de kantoorruimtes hier hoger dan de gang. Om ze te bereiken voert een korte trap naar een omloop met muuropeningen. Vergelijkbare hekjes zitten rondom de monumentale ‘Pilasterhal’ op de vijfde verdieping.

Voor dit siersmeedwerk gebruikte de onbekende ontwerper — misschien wel Hendrik Winkelman — het golfmotief, net als in het glas-en-lood en de bouwkeramiek. Het vormt een tegenwicht voor de rechtlijnigheid van het gebouw. Je zou er ook het sierlijke zweepslagmotief van de jugendstil in kunnen herkennen. Deze stijl was in 1921 echter allang passé en de meeste decoraties in de Inktpot zijn meer verwant aan de art deco.

[caption id=”attachment_366856” align=”alignnone” width=”1024”] Binnenplaats (Spoorwegmuseum)[/caption]

Binnenplaats

Onzichtbaar voor buitenstaanders is de grote binnenplaats. Behalve vanuit het souterrain met dienstruimtes — feitelijk op beganegrond-niveau — geven enkele onderdoorgangen toegang voor fietsen en leveranciers. In het midden van de binnenplaats van zo’n 50 bij 40 meter staat een plat bouwwerk, ooit kolenopslag en ketelhuis, nu fietsenstalling. In 1921 werd het met grind bedekt als een soort dakterras, dat verdween toen er later nog een verdieping bovenop kwam.

De binnenplaats was oorspronkelijk ingericht als tuin ter ontspanning van het personeel, met gemetselde plantenbakken die lijken op de borders, bakken en banken aan de voorzijde in het Moreelsepark. Er groeiden buxussen, hulst, geraniums en zelfs palmlelies. Later verdwenen de plantenbakken, maar sinds enige tijd zijn twee hoeken weer als tuin ingericht. In de ene hoek staan plantenbakken van cortenstaal, in de andere verrijdbare bakken op een soort rails, vormgegeven als treintjes.

[caption id=”attachment_366857” align=”alignnone” width=”1024”] Voordeuren (Arjan den Boer)[/caption]

Voordeuren

We verlaten de Inktpot weer via de hoofdingang. De drie dubbele deuren bovenaan het bordes zijn rijkelijk gedecoreerd. Ze worden geaccentueerd door de omlijsting van siermetselwerk. Het atelier van Hendrik Winkelman voorzag de houten deuren niet alleen van gesmeed traliewerk, maar bekleedde ze ook bijna helemaal met gedreven koper, dat middels een groen patina heeft.

Als contrast met het hoekige gebouw zijn de deuren voorzien van organische motieven, kwabvormen waarvan de middelste op een neus lijkt. Misschien moest het een verbeelding zijn van ‘stoom’, zoals ook een blazend hoofd met bolle wangen dat was op een 19e-eeuws reliëf, te vinden op de luchtbrug tussen de Hoofdgebouwen I en II aan het Moreelsepark. De Inktpot stond immers in een traditie die in 1871 was begonnen met HGB I en in 1990 werd voortgezet met HGB IV, het huidige NS-hoofdkantoor.

Met dank aan ProRail en BAAC Archeologie en Bouwhistorie