Waar nu het Griftpark groen vertier biedt, stond bijna een eeuw lang een groot en donker fabriekscomplex. Daar werd uit steenkool gas gewonnen voor verlichting en verwarming, want aardgas was er nog niet. Behalve een kantoorvilla liet de in 1959 gesloten fabriek nog iets achter: een verontreinigde bodem. De grond werd ‘ingepakt’ en ondertussen heeft de ‘Griftparkbacterie’ al veel vervuiling afgebroken.
Verdwenen fabrieken: Gemeentelijke Gasfabriek aan de Blauwkapelseweg

De eerste Utrechtse gasfabriek begon in 1842 aan het Vredenburg. Fabrikant Willem Hendrikus de Heus (1808-1872) had daar een koperpletterij en vestigde zijn fabriek deels in oude bastions van het kasteel Vredenburg. Hij kreeg voor twintig jaar het alleenrecht om gasbuizen door de stad te leggen en verzorgde ook de straatverlichting. ‘Gaz-lantaarn opstekers’ van De Heus maakten elke avond een ronde langs de lantaarnpalen, behalve bij volle maan.
De gemeenteraad besloot om in 1862 de gasconcessie niet te verlengen, maar de productie in eigen hand te nemen. Zo kon de gemeente beter inspelen op stadsuitbreidingen en profiteren van de gasopbrengsten. Bovendien gaf de fabriek op het Vredenburg veel overlast. De Gemeentelijke Gasfabriek kwam dan ook aan de rand van de stad, naast de gemeentelijke vaalt (vuilstort). Het terrein lag op de hoek van Blauwkapelseweg en Kleine Singel.
[caption id=”attachment_410036” align=”alignnone” width=”1024”] Impressie gasfabriek door J.M. van der Made, 1862 (Het Utrechts Archief)[/caption]
Ingenieur Johannes Marinus van der Made (1820-1870) uit Dordrecht, gespecialiseerd in gasfabrieken, ontwierp het complex met machinehal, stookhuis, werkplaatsen, zuiverhuis en drie gashouders. Lorries op smalspoor transporteerden de kolen die per schip arriveerden over de Wittevrouwensingel. De steenkool werd verhit in de ovens van het stookhuis en het gas dat daarbij vrijkwam, werd in het zuiverhuis gezuiverd en opgeslagen in grote ronde gashouders. Bij het fabriekscomplex hoorden ook twee villa’s: een voor de directeur en de andere als kantoor, waarboven de opzichter woonde.
Gasverbruikende ingezetenen
Op 1 september 1862 om middernacht werden de lantaarns voor het eerst ontstoken met gemeentelijk gas. Burgemeester en wethouders lieten zich per koets door de stad rijden om tevreden de verlichting te bewonderen. Ook ingenieur Van der Made en de aangestelde directeur Adrianus Cornelis Spruijt (1827-1896) reden mee.
Spruijt, die met zijn gezin de directeursvilla betrok, was een tiran voor de arbeiders, die toch al zwaar werk deden in ongezonde dampen met explosiegevaar. Hij stond bekend om zijn ‘gemeene, ruwe, plompe en onregtvaardige handelwijze jegens zijne onderhorigen, met zijn ruw en gemeen razenden vloeken’. Ook zou hij personeel privé inzetten als huisknecht (!) of als koetsier voor mevrouw Spruijt. Een commissie stelde in 1868 onderzoek in, maar vond de klachten niet ernstig genoeg. Spruijt bleef en zou bij zijn 25-jarig jubileum een beeldje aangeboden krijgen door de ‘gasverbruikende ingezetenen’ van Utrecht.
In 1862 hadden nog maar 1.600 woonhuizen een gasaansluiting, vijftig jaar later waren het er bijna 25.000. Daarnaast lieten ongeveer 100 Utrechtse bedrijven hun machines op gasmotoren draaien. De gasfabriek moest regelmatig worden uitgebreid. In 1881 stak men de Biltsche Grift over om een nieuwe gashouder te bouwen. In datzelfde jaar kreeg de fabriek een spooraansluiting, die aftakte bij Blauwkapel. De kolen kwamen voortaan per trein. De gasfabriek was een van de grootste werkgevers van Utrecht. In 1887 waren er alleen al 80 stokers in dienst.
Tekst loopt door onder de foto
[caption id=”attachment_410034” align=”alignnone” width=”727”] De de zuiveringsinstallatie in 1879 (Het Utrechts Archief)[/caption]
Restproducten leverden nog meer bedrijvigheid op. De restanten van de kolen, de cokes, werden verkocht als brandstof. Bij de gaszuivering kwamen teer, gips, benzol en ammoniak vrij. De Utrechtsche Asphaltfabriek (aan de Gansstraat) nam teer af en de Brusselse firma Solvay kreeg een vestiging op het fabrieksterrein; zij gebruikten ammoniak voor kunstmest. Wat geen geld opbracht, werd in de bodem of in het water geloosd.
Hoogtepunt en sluiting
Vanaf 1890 hoefden inwoners de aansluiting en gasmeter niet meer zelf te bekostigen, maar konden die huren. Ook maakten nieuwe gloeigaskousjes de gasverlichting efficiënter. Winkels gingen er hun etalages mee verlichten. En in 1895 introduceerde het gasbedrijf de muntgasmeter, waardoor armlastige huishoudens konden bepalen hoeveel ze aan gas uitgaven. Aan de overzijde van de Biltsche Grift verrezen begin 20e eeuw twee nieuwe faciliteiten: een watergasfabriek en een oliegasfabriek. Die haalden op een alternatieve wijze gas uit kolen of uit het restproduct koololieteer. De drie soorten gas gingen gemengd de gasbuizen in.
[caption id=”attachment_410035” align=”alignnone” width=”1024”] Tekening van E.F. van de Waereld uit 1912 bij het 50-jarig jubileum (Het Utrechts Archief)[/caption]
Nadat Utrecht in 1905 een elektriciteitscentrale kreeg, nam het gasgebruik voor verlichting af. In 1923 waren alle straatlantaarns elektrisch. Maar dat betekende niet dat de vraag naar gas kleiner werd. Steeds meer Utrechters gingen hun huis verwarmen met gaskachels, hun water verhitten met geisers en koken op gasfornuizen. Het gasbedrijf voerde daar ook promotiecampagnes voor.
De Gemeentelijke Gasfabriek haalde in het sluitingsjaar 1959 de hoogste productie ooit: 227.000 m³. Op 8 augustus van dat jaar trok wethouder Ploeg aan een kabel om de laatste cokes in een wagen te storten. Een harmonieorkest zette de sluiting luister bij. Bijna honderd jaar had de fabriek Utrecht van licht en warmte voorzien. Kort daarna werden de schoorsteen opgeblazen en de meeste gebouwen gesloopt. Op Lage Weide was het nieuwe, veel grotere Gasbedrijf Centraal Nederland in gebruik genomen. In dezelfde periode werd er aardgas ontdekt in Slochteren, wat binnen enkele jaren alle gasfabrieken overbodig maakte.
Toen buurtbewoners in de jaren zeventig het initiatief namen om een park aan te leggen, bleek het fabrieksterrein zwaar vervuild. Uiteindelijk werd de grond afgeschermd met damwanden en kon het Griftpark in 1999 worden geopend. In het parkontwerp komen de ronde vormen van de gashouders terug. De kantoor- en opzichtersvilla uit 1862 is als enige gebouw bewaard en huisvest tegenwoordig een hostel voor verslaafden.



